‘Ik wil weten wanneer een mens wildernis wordt’

Aan de Universiteit Leiden geeft vanaf volgende week een installatieartiest les, om aan studenten het verband te tonen tussen kunst en leven. Een groot onderwerp, en de docent houdt van grote gebaren.

Bio-kunstenaar Adam Zaretsky verzamelt in een performance bloed en wangslijm.

Hester van Santen

„Wist je dat ik zelf het navelstrengbloed van Blu heb geïsoleerd en het thuis heb diepgevroren?” Blu is het eenjarige zoontje van Adam Zaretsky, bio artist. De Amerikaan werd bekend met installaties als de WorkhorseZoo, waarbij hij een week in een glazen kamertje zat met fruitvliegen, wormen en andere ‘werkpaarden’ uit de biologie. Hij maakte ook het Brainus Analolly Complex: een anus bedekt met hersenweefsel van een paling, en een lolly met anaal weefsel van de aal. Onder het motto: welke van de twee lik je het liefst, en waarom?

Maar de komende weken doceert hij tijdelijk aan de Universiteit Leiden. Vanaf volgende week vrijdag geeft hij er het vak VivoArts. Onderzoeksorganisatie NWO financiert het, binnen het in 2004 opgerichte Arts & Genomics Centre. Dat centrum onderzoekt wat samenwerking tussen kunstenaars en wetenschappers in de praktijk oplevert.

Leren studenten in uw lessen wat wetenschap is?

„Ja. Ik noem het ‘VivoArts’ omdat het over kunst en het leven gaat. Normaal perken we onszelf in. We houden onze lichamen apart van ons eten, van de natuur, van de wildernis. We plaatsen ze in huizen, in scholen. Ik ben geïnteresseerd in het moment waarop een mens een non-mens wordt. Als een mens wildernis wordt. Als wildernis eten wordt. Als eten wetenschap wordt, begrijp je? Als je het allemaal mengt, dat noem ik VivoArts.”

Denkt u dat de dingen die u maakt wetenschappers verrijken?

„U gebruikt het woord ‘verrijken’. Dat is interessant. We gaan tijdens de cursus naar de dierentuin om met wetenschappers te praten over gedragsverrijking van dierentuindieren. Om een dierentuindier dat terechtgekomen is in suburbia te verrijken, moet je weten wat zijn natuurlijke habitat is. En dan bedenk je iets dat hij in het wild zou beleven. Ik denk dat kunst dát doet: mensen in gevangenschap verrijken. Zonder dat krijg je neuroses, ijsbeergedrag, automutilatie. Dat is tenminste mijn theorie.”

In een eerder practicum maakten uw studenten orang-oetanporno. Verrijkt dat de ethologie?

„Dat project was een direct gevolg van een bezoek van een primatoloog van de Universiteit van West-Australië. Zij hadden een orang-oetanverblijf waarvan de achterkamer net een hotelkamer was. Met tv, en kranten die ze aan de orang-oetan gaven. Die orang-oetan had in een tijdschrift een foto gevonden van Elle McPherson, en die onder zijn bed verstopt. De dierverzorgers hadden die foto weer afgepakt. En de volgende dag had de orang-oetan een foto van een roodharig jong katje uitgescheurd. De verzorgers zeiden dat de orang-oetan van andere roodharige wezens hield. Maar ik dacht dat het bewees dat ook orang-oetans hun seksuele gevoelens kunnen onderdrukken. Dat die orang-oetan de foto had vervangen uit schuldgevoel.”

Bent u wel eens bang voor de gevolgen van wetenschappelijke experimenten?

„Ik weet het niet. Ik ben er vooral in geïnteresseerd dat sommige experimenten níet gedaan worden, om esthetische redenen. We hebben een heel, heel smal idee van schoonheid. De esthetiek van het vrijemarktkapitalisme is ons heersend idee van esthetiek. Neem gentherapie: er staat bijna nooit in Nature dat gentherapie nooit uitgevoerd moet worden omdat het het erfgoed van het menselijk genoom schaadt. De huidige opinie is nu eenmaal dat gentherapie goed is.”

Heeft u wel eens een kunstwerk níet gemaakt, omdat het inging tegen uw eigen idee van ethiek, of esthetiek?

„Ja, ik heb mijn eigen grenzen wel leren kennen. Maar dat is geheim. Ik was nogal verrast dat ik ook, zeg maar, gewoon een mens ben. Ik heb ook persoonlijke ethische crises gehad. Ik wilde in West-Australië een verlengstuk maken van de pijnappelklier, in de hersenen. Cellen van de pijnappelklier van een jonge rat, op een matrix van biopolymeren, in de vorm van een plug die je op je hersenen kon aansluiten. Dus ik vroeg de dame van het proefdierverblijf van de universiteit om wat rattenhersenen. Ik mocht erbij zijn toen een student haar ratten moest doden. Ik moest handschoenen aan, en toen gingen de ratjes in een kleine gaskamer, hun kopjes werden afgesneden en die kreeg ik. En ik dacht: dat was een heel vreemde ervaring voor een kunstenaar. Ik maakte mijn hersenantenne, maar ethisch vond ik het moeilijk. Ik voelde me de hoer van de gaskamer.”

Misschien begint u later dit jaar in het lab in Leiden. Wat gaat u doen?

„Als ik hier ben wil ik gaan werken met embryologie, en mutagenese. Ik moet nog met de ethische commissie praten wat ik wel en niet mag doen.”

Met welke proefdieren gaat u werken?

„Met kwartels, denk ik. Of fazanten.”

Dat is nogal ongebruikelijk.

„Ja, maar als het lukt wordt het wel een fantastische jachtpartij.” (Zaretsky knipoogt bijna onzichtbaar.)

Je liegt hè?

„Weet je? Ik zou het gewoon afdrukken.”