Gesteggel over beleid internationale cultuur

Het cultureel beleid van Nederland in het buitenland staat onder grote druk door bezuinigingen. Het eerste slachtoffer lijkt de culturele ambassadeur. En er komt mogelijk een apart orgaan voor internationaal beleid.

Nog maar twee jaar geleden werd het 25-jarig bestaan van het instituut van culturele ambassadeur feestelijk gevierd. Nu bestaat er een gerede kans dat de huidige Nederlandse culturele ambassadeur, Jan Hoekema, de laatste is. Het Nederlandse cultureel beleid in het buitenland dreigt ten prooi te vallen aan de bezuinigingen van het kabinet.

Een en ander zeggen anonieme ingewijden. Het internationaal cultuurbeleid zou bij het ministerie van Buitenlandse Zaken sterk afgeslankt worden voortgezet. De taak van de huidige ambassadeur voor internationale culturele samenwerking zou waargenomen gaan worden door een afdelingsdirecteur. Het internationale cultuurbeleid zou dan meer gaan vallen onder het ministerie van OCW. Door interne reorganisaties op dat ministerie is de hoeveelheid ambtenaren die verstand hebben van internationaal cultuurbeleid, verschrompeld tot twee. Deze ondergeschikte ambtenaren werken op een afdeling die zich voornamelijk met internationale onderwijssamenwerking bezig houdt.

Bij kunstinstellingen in binnen-en buitenland die hun gelden ontvangen uit fondsen van de Nederlandse overheid heerst dan ook grote bezorgdheid. In het bijzonder wat betreft de zogeheten HGIS-cultuurgelden, over de besteding waarvan thans nog door een gezamenlijke werkgroep van ambtenaren van BZ en OCW wordt beslist. Die ambtenaren beslissen in principe over subsidie-aanvragen groter dan 150.000 euro, kleinere projecten worden door fondsen als de Mondriaan Stichting afgehandeld.

De instelling van de HGIS-cultuurmiddelen (HGIS staat voor Homogene gelden internationale samenwerking) dateert uit 1997. BZ draagt er jaarlijks zestien miljoen gulden aan bij. Veertig procent van de middelen worden door de zelfstandig opererende fondsen uitgegeven, 1,5 miljoen is in handen van Nederlandse ambassades om een eigen cultureel beleid te voeren. De resterende gelden worden besteed aan eenmalige manifestaties, uitwisselingen en dergelijke. In mei pleitten de toenmalige staatssecretarissen Nicolaï (BZ) en Van der Laan (OCW) ervoor het aandeel dat via de fondsen loopt tot vijftig procent te verhogen, aangezien zulke bestedingen een ‘strategischer’ karakter zouden dragen. De huidige verantwoordelijke bewindslieden, minister Plassterk (OCW) en staatssecretaris Timmermans (BZ) hebben zich over de onderlinge taakverdeling nog niet uitgelaten.

Voor de instelling van de HGIS-cultuurmiddelen vormde het Nederlands cultuurbeleid in het buitenland traditioneel onderwerp van veel ambtelijk touwtrekken. Daarbij viel de zogenaamde Haagse school, vertegenwoordigd bij BZ, te onderscheiden, naast de zogeheten Amsterdamse school die vooral op OCW sterk was. De Haagse school zocht het heil in prestigieuze projecten die het diplomatiek gewicht van Nederland konden versterken, de Amsterdamse meende dat kunst alleen maar internationaal werkzaam kon zijn wanneer projecten op hun eigen, culturele merites worden beschouwd en gesteund.

Binnen de culturele wereld gaan stemmen op om het buitenlands cultureel beleid onder te brengen bij een zelfstandig orgaan, zoals dat op de meeste terreinen van het binnenlands cultuurbeleid al het geval is. Het in Amsterdam gevestigde SICA (Stichting Internationale Culturele Activiteiten) kan daarvoor in aanmerking komen. De SICA speelt nu vooral de rol van documentatiecentrum en ressorteert geheel onder OCW. Een dergelijke oplossing, en de budgettaire ruimte waaronder het internationaal cultuurbeleid de komende jaren zal functioneren, vergen echter nog vele maanden ambtelijk overleg met ongewisse uitkomsten, aldus ingewijden.