De bescheiden dictator

Sommige berichten stemmen tot lang nadenken. Zo het bericht van vorige week dat van de ongeveer tweehonderdduizend Portugezen die hadden gereageerd op de vraag van de televisie wie de grootste Portugees van alle tijden was geweest, 41 procent hadden geantwoord: Antonio Salazar.

Eerst: wie was Salazar? Hij was de man die van 1928 to 1968 Portugal dictatoriaal regeerde. Meestal wordt hij in één adem genoemd met generaal Franco, die hetzelfde van 1936 tot 1975 in Spanje deed. Maar er zijn verschillen: Franco was een militair, die een staatsgreep tegen de wettige regering pleegde. Salazar was een professor in de economie, die – weliswaar ook na een militaire staatsgreep – minister van Financiën, en later minister-president, werd.

Hij onderscheidde zich ook van zijn Spaanse collega hierin dat hij een teruggetrokken leven leidde: hij was vrijgezel en woonde in een bescheiden appartement, terwijl Franco en zijn familie een koninklijke staat voerden. Dat maakte Salazar tot een aantrekkelijke figuur voor velen in West-Europa, die zelf allesbehalve fascist waren, maar wel voorstander van een ordelijk bestuur.

Zo verscheen in 1940 van de hand van E. Brongersma (die na de oorlog nog Kamerlid voor de PvdA zou worden) een gedegen studie over De opbouw van een corporatieven staat: het Portugal van Salazar. In het jaar van verschijnen voldeed dit boek kennelijk aan een behoefte, want de Duitse inval van 10 mei 1940 had velen – ten onrechte overigens – doen twijfelen aan de eigen democratie (de Nederlandse Unie was een symptoom van die twijfel).

Kortom, Brongersma’s boek had succes – in 1942 verscheen nog een derde druk –, omdat Portugal een derde weg leek te bieden tussen democratie en het brute nationaal-socialisme. Dat Salazars ‘estado novo’ een wassen neus was – zoals een Nederlandse ambassadeur in Lissabon mij eens in de jaren ’50 vertelde – was in het verre Nederland niet bekend.

Wat dit betreft, deed deze sympathie voor Salazar denken aan de geestdrift die het regime van Tito in Joegoslavië wist te wekken. Tito zou met zijn ‘arbeiderszelfbestuur’ een tussenweg tussen stalinisme en democratie hebben gevonden. De onlangs overleden dr. M.J. Broekmeyer was lange tijd Tito’s apostel en ook het PvdA-Kamerlid Van der Doel was er gecharmeerd van. Maar ook dat arbeiderszelfbestuur was een façade, die de ijzeren hand van de communistische partij aan het gezicht onttrok. Hoe goedgelovig kunnen intelligente mensen soms zijn!

Overigens was links verdeeld over Tito. Voor Moskou getrouwe communisten was hij een verrader en voor de PvdA was hij lange tijd geen gesprekspartner, hoewel hij met Moskou gebroken had. Reden: met communisten praat je niet. Onder Nieuw Links kenterde het getij en in 1980 ging Den Uyl, hoewel in de oppositie, met een regeringsvliegtuig naar Tito’s begrafenis. Het ‘gedraai’ waarvan Wouter Bos in de verkiezingscampagne beschuldigd werd, heeft een zekere traditie in die partij, al kun je het ook aanpassingsvermogen noemen.

Maar terug naar Salazar, die zo verschillend was van de praalhazen Franco en Tito: aan zijn regime kwam na 36 jaar een eind – een eind dat hijzelf niet meer meemaakte, want in 1968 trad hij af na een attaque en twee jaar later overleed hij. Zijn regime, nu onder Marcello Caetano, overleefde hem tot 1974, jaar van de ‘Anjerrevolutie’, die opnieuw tot onkritische geestdrift bij het linkse volkje leidde, zoals de regimes van Castro in Cuba, Allende in Chili en de Sandinisten in Nicaragua hadden gedaan.

Er was nóg iets wat Salazar van Franco onderscheidde: de eerste mag dan een studieuze man zijn geweest, zijn economie was die van het huishoudboekje. Terwijl Franco al in 1959 begon met de modernisering van de Spaanse economie, die tot haar opbloei leidde, bleef Salazar ouderwets. Dit kan de achterstand verklaren die Portugal nog steeds heeft op Spanje en de rest van Europa.

Maar nu komt de vraag: hoe komt het dat vele Portugezen nog steeds heimwee hebben naar de dictator, die zo weinig met zijn tijd meeging? Is het zijn teruggetrokkenheid, die hem nog steeds een aureool van wijsheid geeft? Is het dankbaarheid voor het feit dat hij een einde maakte aan een tijd van beroeringen, waarin het land tussen 1910 (val van de monarchie) en zijn komst 44 regeringen en twintig staatsgrepen had geteld?

Sinds enkele jaren kent Portugal weer tijden van onzekerheid. Niet dat er zoveel regeringswisselingen en staatsgrepen plaatsvinden, maar na een tijd van schijnbare bloei moet de economie nu grondig gesaneerd worden en de achterstand ingehaald, en dat gaat niet zonder pijn. De rust die onder Salazar heerste, krijgt daardoor voor velen een mythische aantrekkingskracht. De teruggetrokken professor steekt gunstig af tegen de luidruchtige politici, die komen en gaan.

Wat de verklaring ook mag zijn – het is wel duidelijk dat democratie bij een groot deel van de Portugezen geen prioriteit heeft. Maar is dit elders anders? Pas als democratie orde, rust en een minimum aan welvaart kan waarborgen, wordt er voorkeur aan gegeven boven een regime dat het volk ‘bevrijdt’ van de moeilijke keuzen waarvoor de democratie het vaak stelt. Met andere woorden: is de demos wel zo democratisch?

Het antwoord op deze vraag dat de Duits-Amerikaanse politieke filosoof Carl J. Friedrich eens gaf, komt waarschijnlijk dicht bij de waarheid: de ervaring leert ons „dat mensen een minimum aan vrijheid verlangen, eerder dan een maximum. Alle mensen houden ervan enkele vrije keuzen te maken, maar niet vele, laat staan alle. Velen lijken er de voorkeur aan te geven dat de meeste beslissingen voor hen worden genomen, en bijna allen geven er de voorkeur aan dat enkele beslissingen voor hen worden genomen.”

Wanneer ook nog de schijn van democratie wordt bewaard, bijvoorbeeld door referenda of plebiscieten, kunnen autocratische heersers die voor rust, orde en een minimum aan welvaart zorgen, het lang volhouden.