Teletreiteren

De arrestatie van vijftien Britse militairen en het Iraanse teletreiteren van Groot-Brittannië en Amerika kunnen een mens razend maken. Maar niet hier in Azië – de media besteden er betrekkelijk weinig aandacht aan. China en India hoor je er amper over, Indonesië begrijpt de Iraanse emoties heel goed en die van het Westen veel minder. Alle commentaren – al dan niet van hogerhand gedicteerd – adviseren kortweg samengevat dat de kemphanen het er nog maar eens in alle rust over moeten hebben. Iran is hier, zo blijkt telkens opnieuw, geen thema en de crisis van het Midden-Oosten wordt een beetje beschouwd zoals Groot-Brittannië de crisis in Joegoslavië begin jaren negentig bezag: gewoon laten uitbranden totdat de brandstof op is.

Zo wordt Iran nooit wat Amerika erin wenst te zien, namelijk een kwestie van een schurkenstaat tegen de rest van de wereld en blijft het een kwestie van een geprikkelde moslimstaat versus het Westen.

Maar zelfs dit is nog maar de vraag. Want wat is hier het Westen?

Vorige week donderdag, 29 maart, schreef Timothy Garton Ash, hoogleraar Europese studies in Oxford, een geëmotioneerd betoog op deze pagina over „vijftien Europeanen in Iraakse territoriale wateren gekidnapt door de Iraanse Revolutionaire Garde” en hij vervolgde: „Als Europa is wat het zegt te zijn, wat gaat het dan hieraan doen?”

Het was een sympathiek betoog, maar het rammelde wél. Er zijn helemaal geen vijftien Europeanen gegijzeld, maar vijftien Britten – veertien mannen en één vrouw. Het zou mooi zijn als het Europeanen waren, maar dat zijn ze niet. Het betreft hier vijftien Britse militairen, het betreft hier defensie en buitenlandse politiek en dat zijn terreinen waar vanaf de eerste tot de laatste dag in de Europese Conventie de Britse afgevaardigden ondubbelzinnig hebben gepleit voor veto’s en vóór nationale soevereiniteit. Natuurlijk zijn Britten óók Europeanen en zijn zij subject in het Europese Handvest. Maar uitgerekend als militairen zijn zij dit niet. Dat is geen muggenzifterij maar het is steeds een principieel punt geweest, ook voor het kabinet van Blair. Al kan, toegegeven, een beetje demagoog er gemakkelijk een vlot nummertje Brusselse muggenzifterij van maken, een bewijs temeer dat je aan Europa niets hebt als het er echt op aan komt.

Desalniettemin hebben de 27 EU-lidstaten een armzalig staaltje onvermogen aan de dag gelegd met hun verklaring van afgelopen zaterdag in Bremen. Althans op het eerste gezicht. Het is weliswaar een tekst vol verontwaardiging aan het Iraanse adres, maar verder zo vrijblijvend als maar enigszins mogelijk is. Terwijl de EU – Frankrijk en Duitsland voorop – exportkredietgaranties voor Iran ter waarde van 14 miljard euro per jaar afgeeft en dus een serieuze vuist zou kunnen maken wanneer met intrekking ervan zou worden gedreigd. Maar daarop was geen schijn van kans en de Britten vroegen er niet eens om. Premier Dominique de Villepin van Frankrijk bepleitte in Parijs nog eens „het vermijden van elke confrontatie met Teheran”.

Europa was steeds verdeeld over de oorlog in Irak, maar inmiddels verblijven ook de Britse troepen er op basis van een mandaat van de Verenigde Naties, zodat zelfs de Veiligheidsraad met een vermanende verklaring aan Iraans adres kwam. Zo beschouwd was het ook een mooie kans van de Europese Unie geweest om zich als factor van gewicht te presenteren en Britse scepsis over Europa te logenstraffen. Dat maakt Garton Ash’ redenering aantrekkelijk en sympathiek.

Maar met een beperkt oog voor de veranderende machtsverhoudingen. Een paar feiten vanuit Azië kijkend: Iran beschikt over de militaire capaciteit om de Straat van Hormuz af te sluiten, een eventueel gewapend conflict heeft eenzelfde effect. Door die zee-engte gaat veertig procent van alle ruwe olie in de wereld. Dat is 12 procent van de totale Amerikaanse olieconsumptie, dertig procent van de Europese en – let op – zeventig procent van de Aziatische oliebehoefte. China, India en Maleisië hebben de laatste twee jaar grote raffinagecontracten met Iran gesloten.

Desondanks heeft China uiteindelijk in de Veiligheidsraad recent ingestemd met een nieuw pakket van mogelijke sancties tegen Iran. En India heeft vijf weken geleden de export verboden van apparatuur die Iran aan een verrijkingsinstallatie voor kernbrandstof zou kunnen helpen. Dat was een – vertraagd – uitvloeisel van de eerste Veiligheidsraadresolutie uit december.

Azië is dus kwetsbaarder bij een uitbrekend conflict om Iran dan het Westen en alleen al daarom zal de belangstelling aan deze kant van de brandhaard om kastanjes uit het vuur te halen, beperkt blijven. Desalniettemin blijken landen als China en India uiteindelijk en schoorvoetend ook bereid om hun ongenoegen over Iraanse doldriestheid te demonstreren. Zelfs niet-permanent Veiligheidsraadslid Indonesië stemde vóór de laatste resolutie tegen Iran (al betogen sedertdien alle radicalere moslims van het land tegen dit stemgedrag).

Aziatische landen willen, kortom, geen gedonder, noch vanuit het Westen noch vanuit Iran, zij kiezen consistent voor de middelgrond en zij willen precies wat de Britse en Iraanse autoriteiten nu doen, namelijk overleg en vooral geen gezichtsverlies voor Iran.

In het tijdperk van de CNN-democratie zijn zoveel egards voor schandelijk teletreiteren irritant en van een twijfelachtige moraal en zouden harde Europese maatregelen in elk geval voor een goed gevoel zorgen. Alleen zou het niets oplossen en het zou Europa misschien nog meer isoleren dan Iran.

En, zoals de geschiedenis leert, van ‘een goed gevoel’ kunnen oorlogen komen.

Bij nader inzien is de armzalige Europese verklaring dus zo gek nog niet.

Althans voorlopig.