Neppriester jaagt op kinderen

The Night of the Hunter. Regie: Charles Laughton. Met: Robert Mitchum, Lilian Gish, Shelly Winters, Billy Chapin, Sally Jane Bruce. In: Filmmuseum, Amsterdam; Filmhuis, Den Haag; Lantaren/Venster, Rotterdam.

Aan de kwade bedoelingen van Harry Powell hoeven we niet te twijfelen. De eerste keer dat we hem zien in The Night of the Hunter, vertelt hij God dat hij een stuk of – wat waren het, zes? twaalf? – weduwen heeft gedood. „Niet dat u het moorden erg vindt. Uw eigen boek staat er vol mee, Heer.”

De introductie van de nep-priester Harry Powell, de rol waar de doorgaans zo onbehouwen acteur Robert Mitchum zijn hele leven trots op zou blijven, is typerend voor het eigenaardige regiedebuut van Charles Laughton – dat bij gebrek aan succes bij kritiek en publiek anno 1955 meteen zijn laatste poging zou blijven. Het Filmmuseum brengt de film nu opnieuw uit, een mooie, maar intussen bepaald niet meer gewaagde keuze, want The Night of the Hunter wordt allang als klassieker erkend.

Het typerende van de introductie van Powell is enerzijds de lyrische beweging waarmee de camera over de kronkelende rivier zweeft om als het ware te landen op de motorkap van Powells auto en zijn monoloog tegen God op te vangen. Die monoloog, en dat is het andere wat de film typeert, is onomwonden sadistisch, pathologisch sadistisch zelfs. Laughton brengt ons in The Night of the Hunter in een door en door slecht universum. De priester is misschien wel de grootste schurk, met op zijn vingers de letters L O V E en H A T E geschreven, maar vrijwel alle andere personages zijn niet veel beter.

Powell heeft in de gevangenis gehoord dat zijn celgenoot de buit van een bankoverval heeft verstopt. Na diens dood zoekt hij het gezin van de overvaller op, de weduwe, zoon en dochtertje. Met zijn hypocrisie wint hij doodsimpel het vertrouwen van iedereen, behalve dat van het zoontje. Hij zal dus door geweld zijn doel moeten bereiken en zo begint een lange achtervolging langs de rivier, door Laughton in een mengeling van sprookjesachtige vredigheid en nachtmerrieachtig expressionisme gefilmd. Hij kan de camera rustig tot staan brengen om een konijn, een uil of een schildpad te filmen. Maar altijd doemt de jager weer op.

De finale wordt voorafgegaan door een huiveringwekkende samenzang van de neppriester en de vrouw die de kinderen bescherming biedt. Het is een staaltje melodrama dat het publiek in 1955 net zo bevreemd moet hebben als ons nu.