Het hangt in de lucht

Er staat een magnolia in mijn tuin. Zo’n boom die amper drie weken bloeit maar wel heel mooi. Rijk en roze probeert zijn kruin het lichtblauw van de lucht te verstoppen. Nog even. Aan zijn voet verzamelt het verval al bloesembladen. Een groot deel van mijn leven lijk ik te zijn doorgekomen zonder veel werkelijk oog voor groen. Mijn band met de natuur bestond voornamelijk uit hevige hooikoorts en het kopen van supermarktwaren met een ecolabel. Daar schijnt verandering in te komen. Als ik onder de magnolia verhalen van de zesenzeventigjarige maar uiterst heldere Alice Munro zit te lezen, word ik doorboord door een salvo epiphanies die mij naar een ingewikkeld en weinig bezocht grensgebied vervoeren; daar waar harmonische eenvoud, opperste vervoering en mysterieuze belofte elkaar raken. Mogelijk word ik vroegtijdig maar vreedzaam bejaard.

Er hangt een ongegeneerde emotionaliteit in de lucht, waarvoor een te jong gestorven tante het startschot gaf. Al een paar jaar liet een kanker haar longen vol lopen, erop gericht haar te verdrinken. De trots waarmee ze haar middenvinger naar de ziekte opstak, heeft mijn familie door elkaar geschud. Geen gezeur, alleen wat discrete spijt omdat het leven van haar langer mocht duren. Op het kerkhof voerden wij een kwartier lang een vertraagde dans uit waarbij wij elkaar statig en blind zochten, vastklampten, kusten. Onder zonlichtweerkaatsende bloesems tussen de doden. Zelfs vogelgeluiden ontbraken niet. Ik hef mijn arm op alsof ik hem uit het water haal, laat hem rusten over een schouder, druk mijn wang tegen de wang van een oom die grijs is geworden, voel zijn hand op mijn rug. Wij delen voornamelijk bloed en begrafenissen. Ik neem mij voor de babyborrels voor de kinderen van mijn neven niet langer aan mij voorbij te laten gaan.

De lente maakt een flinterdun glucoselaagje van mijn vel. Theatermaker Pieter De Buysser schreef een stuk waarin iemand het verlangen verwoordt haar hoofd ,,te schillen in een lange sliert zoals Russische vrouwen wedstrijden winnen door het vel van een patat te veranderen in een sliert van anderhalve meter’’. Een open, doorlatend hoofd dat denkt maar eindeloos aankan. Dat beeld bleef hardnekkig hangen en vraagt de laatste dagen om tot uitvoer te worden gebracht. Ik word door een wolk van verzoening gevolgd.

Alsof daar nog een schepje bovenop kon, jogde ik eergisteren voorbij een moedereend met zeven kuikens achter zich aan. De zwarte vrouw bij de bushalte en het dikke jongetje met zijn mp3-speler zagen ze ook. Hoewel wij schijnbaar niets met elkaar te maken hadden, rukten wij ons tegelijk uit onze posities en volgden wij de waggelende vogels voorzichtig. Toen de grote eend in het water dobberde en er licht bezorgd op toezag dat eendje na eendje haar moedig volgde, keken de vrouw en ik elkaar even aan. Zij schaterlachte, ik zei oooh en voegde er nog iets overbodigs als ‘mooi he?’ aan toe. Daarna ben ik overdreven snel weggerend. Om zoveel schaamteloos geopenbaarde breekbaarheid te overstemmen is een wel heel groot onheil nodig.

‘The cries of the crowd came to me like big heartbeats, full of sorrows. Lovely formal-sounding waves, with their distant, almost inhuman assent and lamentation. This was what I wanted, this was what I thought I had to pay attention to, this was how I wanted my life to be’, zo besluit Munro een verhaal. Terwijl de eendjes durfden springen, werden hongerstakers in Guantánamo Bay door hun neus gevoed. Ik weet het. Nooit weegt het op. Maar de wolk mag even blijven.