Gekastijd met een afgeprijsde hondenriem

Toen ik terug was uit Moskou, besefte ik dat ik daar nogal geobsedeerd was geweest door de dieren ter plaatse. Er was geen dag voorbij gegaan of ik had me laten ontroeren door een zwerfhond of laten verrassen door een nerts (ik vond het namelijk verrassend om iemand met een nerts aan een lijntje te zien lopen).

Misschien kwam het doordat ik Suus miste, mijn poes, die in pension was bij het asiel. ‘In pension’ vind ik een bedrieglijke term, alsof ze in een gezellige villa aan het strand zit met een eigen kamer en ’s avonds chocolaatjes op haar kussen. De realiteit is dat zij een zaal deelt met twintig andere pensionkatten voor wie ze nogal bang is.

Ik was blij dat ik haar ging halen. Met mijn kooitje meldde ik me bij de balie. De asielmevrouw haalde het dossiertje van Suus tevoorschijn, met daarop haar lievelingseten en wat aantekeningen. Ik probeerde te lezen wat er op het papier stond, ik hoopte ‘uitzonderlijk intelligent’ of ‘extreem empathisch’. Maar ik las ‘antibiotica’.

De asielmevrouw zei: „Ze had twee ingegroeide nageltjes. Die moesten worden geknipt, en toen waren haar pootjes ontstoken.” O, zei ik, en ik wist dat ik me nu extreem schuldbewust moest opstellen. Natuurlijk voelde ik me ook echt schuldig, maar echte schuld zou niet genoeg zijn. De vrouw zou mij pas vergeven als ik mijzelf in het winkeltje van het asiel had gekastijd met een afgeprijsde hondenriem.

„Wat erg”, zei ik. „Wat verschrikkelijk erg.” De vrouw antwoordde: „Ze heeft ook pijnstillers gekregen.” Ik wilde naar Suus toe, haar mee naar huis nemen en onbetamelijk veel eten gegeven. Maar ik mocht nog niet weg. „Het is belangrijk dat u vaak de nageltjes van uw poes knipt”, zei de vrouw.

Ik wist dat ik nu van alles kon zeggen. Dat het mij nooit lukt om haar nageltjes te knippen. Dat ze dan altijd zo raar gaat miauwen. En dat ik dan denk: ‘ach meid, krab maar aan het vloerkleed, Moeder Natuur heeft je toch zo gemaakt dat je je eigen nageltjes bijhoudt?’

Dat zei ik natuurlijk niet. Ik zei: „Ik voel me vreselijk schuldig.” En dat was goed. Ik mocht naar de zaal, ik mocht Suus meenemen, en toen we buiten waren, heb ik sorry tegen haar gezegd.

Ze vergaf me meteen. Ze is namelijk extreem empathisch.

Aaf Brandt Corstius

Lees alle columns van Aaf op www.nrc.nl/aaf