Friezin in Végegyháza

Hongaarse jongeren verruilen agrarische streken massaal voor de grote stad.

Een jonge Friese boerin grijpt er juist de kansen die er in Nederland niet meer zijn.

Aan weerszijden van de kilometerslange, kaarsrechte weg liggen in verval geraakte boerenbedrijven. In de zuidoostelijke uithoek van Hongarije, aan de grens met Roemenië, zijn maar weinig zonen of dochters te vinden die het familiebedrijf willen voortzetten. „De werkloosheid hier is ruim 20 procent, jongeren trekken naar de stad. Daar doe je weinig aan”, zegt de Friese Sieuwke van Ruiten (25) op het erf van haar melkveehouderij ROCK Dairy in het gehucht Végegyháza. De pijpen van haar spijkerbroek heeft ze in stoere cowboylaarzen gestoken. Geloei van koeien. Verderop slaat een hond aan.

Vier jaar geleden nam Van Ruiten met de financiële en bedrijfskundige steun van haar vader, die als melkveehouder vanuit Nederland een oogje in het zeil houdt, een groep leegstaande stallen weer in gebruik. Op het agrarische bedrijf, ooit een socialistische coöperatie, was na de omwentelingen in 1989 weinig activiteit meer. „Maar de genetische waarde van de koeien die er nog stonden, gaf de doorslag”, zegt Van Ruiten.

Haar veestapel is inmiddels uitgegroeid tot 360 koeien, de helft Nederlandse koeien, de helft Hongaarse. „Ze leveren drie miljoen liter melk per jaar. Dat is best mooi.” Omdat ze als buitenlander geen landbouwgrond in Hongarije mag kopen, sloot Van Ruiten met ruim veertig kleine grondeigenaren huurcontracten. „Mijn bedrijf is nu honderd hectares groot.”

Zoals overal in Oost-Europa veranderde na 1989 ook de Hongaarse landbouw drastisch van karakter, als gevolg van landteruggave aan de oorspronkelijke eigenaars. De sector raakte versnipperd: naast de tientallen grootschalige, geprivatiseerde bedrijven, domineren de vele kleine, amper rendabele familiebedrijfjes. Het Hongaarse landbouwareaal, met 63 procent van de totaaloppervlakte nog altijd hoog vergeleken bij het gemiddelde van 41 procent in de Europese Unie, biedt nog maar werk aan 6 procent van de beroepsbevolking. Vóór 1989 was dat ruim 17 procent.

Door het gebrek aan geld om te investeren en de teloorgang van tradities gaan veel boeren failliet. Europese subsidies hebben ook gemakzucht uitgelokt. Uit cijfers in 2005, een jaar na de toetreding tot de EU, blijkt dat ruim de helft van het budget voor de Hongaarse landbouw (1,3 miljard euro) uit Brussel komt. Meer dan 200.000 boeren – de meeste met hooguit twee hectare land in bezit – vroegen subsidie aan. Het leverde een enorme administratieve chaos op binnen het ministerie van Landbouw. Het ministerie slaagde er niet in de aanvragen tijdig te verwerken.

In maart 2005 blokkeerden Hongaarse boeren belangrijke verkeersaders in het land en in Boedapest werd dagenlang geprotesteerd. De toenmalige landbouwminister trad af. Onder zijn opvolger József Gráf keerde de rust terug, maar Hongarije worstelt nog altijd met dezelfde vragen: wie doet wat met de subsidies? Hoe hervormen we de landbouw? Hoe keren we de leegloop van het platteland?

In afwachting van betere perspectieven kopen investeerders massaal land op, om de grondgebonden EU-subsidies op te strijken. Vaak wordt gekozen voor eenvoudige landbewerking, zoals het verbouwen van graan. In Hongarije, van oudsher één van Europa’s belangrijkste graanproducenten, is daardoor een overschot ontstaan. Middels interventie van de EU mag de lidstaat een deel van het graan stallen in Portugal. „Niemand in deze omgeving neemt nog de moeite om zoiets intensiefs als een veehouderij op te zetten”, zegt Van Ruiten. „Het loont niet.”

Tussen 1996 en 2003 daalde het aantal melkveehouderijen in Hongarije al met 45 procent, en die trend zet sindsdien door. Toen Van Ruiten met geld, goede bedoelingen en melkmachines naar Végegyháza kwam, keken de Hongaren vol verbijstering toe. „Die eerste jaren noemden ze me het kleine meisje van de boerderij”, zegt Van Ruiten. „Maar nu kennen ze me, en ben ik het kleine meisje niet meer.”

Er werken inmiddels tien Hongaren op haar boerderij, waarvan twee in de beveiliging. „Er is veel armoede hier, dus je moet voorbereid zijn op diefstal.” Met de lokale traditie om ’s ochtends eerst een glas palinka (brandewijn) achterover te slaan, heeft Van Ruiten korte metten gemaakt. „Met een borrel op tussen mijn koeien? Dan vlieg je eruit.” De meeste tijd besteedt zij aan het bijscholen van het personeel. Zij leert ze de nieuwste melktechnieken. „Ze krijgen goed betaald, want zonder loyaal personeel kan ik niets.”

In de namiddag draait een melktankwagen van zuivelbedrijf Friesland Hungária het erf op. De dochteronderneming van het Nederlandse zuivelbedrijf Friesland Foods is marktleider in de regio.

Landbouwambtenaar Herman Versteijlen bij de Europese Commissie rekende medio vorig jaar nog in deze krant voor dat een Nederlandse melkboer met 63 koeien en 40 hectares, inclusief alle subsidies, hooguit 1.650 euro per maand verdient. Is dat in Hongarije beter? „Er is hier nog volop ruimte, er is minder regelgeving dan in Nederland en de arbeidskosten liggen lager”, zegt Van Ruiten.