Tijd is voorbij dat de mens geen dier is

Al eeuwen stellen filosofen dat de mens fundamenteel verschilt van het dier. Maar het levert geen nieuw inzicht op. Om onszelf beter te begrijpen, kunnen wij deze gedachte beter loslaten, betoogt Hans Achterhuis.

Al zo’n 25 eeuwen lang zingt de filosofie haar zelfde lied dat ook de slotregel vormt van het artikel in de krant van 28 maart van Coen Simon: „Een mens is geen dier”.

Deze lange traditie duid ik graag aan als die van de drie P’s: Plato, Pico della Mirandola en Plessner. Van het begin in de Klassieke Oudheid via het hoogtepunt van het humanisme van de Renaissance tot aan de belangrijkste wijsgerig antropoloog van de vorige eeuw, is de tekst van dit lied nauwelijks gewijzigd. Het is zo gezien geen wonder dat Coen Simon zijn betoog met een uitgebreide verwijzing naar Plessner beëindigt.

Door de nieuwe ontwikkelingen in wetenschappen als evolutionaire psychologie en ethologie is de tekst van dit oude lied onderhand echter wel erg sleets geworden. Ze klinkt alleen nog maar nostalgisch en defensief en levert geen enkele nieuwe en verrassende vraagstelling op. Om de tekortkomingen van de tekst van Simon te begrijpen, is het goed haar summier te reconstrueren om er vervolgens boven uit te kunnen stijgen.

Misschien de mooiste tekst van Plato over het mensdier is de mythe van Protagoras uit de gelijknamige dialoog. Ze handelt over de schepping van de dieren en de mens. De dieren krijgen allemaal vaste eigenschappen mee, waarmee ze hun bestaan kunnen verzekeren, maar de mens verschijnt kwetsbaar ten tonele: „naakt, ongeschoeid, ongedekt en ongewapend”.

Dankzij de gift van het vuur en de technische kennis, die de mens van Prometheus krijgt, en de morele en politieke vermogens die Zeus hem biedt, kan hij toch overleven. Dat hij vervolgens dankzij de rede ook ver boven de dieren uit kan stijgen, maakt Plato in zijn verdere werk duidelijk.

Pico della Mirandola geeft zijn eigen versie van dit verhaal in de beroemde rede ‘Over de waardigheid van de mens’ uit 1486. Bij hem ontvangen de dieren ook hun vastomlijnde eigenschappen, maar de mens die door God in het centrum van de wereld wordt geplaatst, krijgt van al die eigenschappen wat mee. Daardoor kan hij zijn eigen natuur bepalen en „door geen grenzen belemmerd, naar eigen vrije wil” zichzelf vorm geven.

Helmut Plessner ten slotte onderscheidt de mens van het dier door zijn „excentriciteit”. In tegenstelling tot het dier leeft de mens door zijn bewustzijn buiten zichzelf. Hij kan afstand van zichzelf nemen en heeft in tegenstelling tot het dier geen vaste natuur. Hij vormt en bepaalt zichzelf primair door zijn eigen producten: taal en werktuigen.

Centraal kenmerk van het betoog van de drie P’s is dat de mens wezenlijk van het dier verschilt. De tekst „de mens is geen dier” moet dan ook gelezen worden als: de mens heeft, als hij zijn menselijkheid volledig ontplooit, niets met het dier gemeen.

Aan deze tekst is de afgelopen twee eeuwen, van Darwin tot Frans de Waal, nogal wat geknabbeld. Dieren bleken werktuigen en een soort taal te hanteren en over zelfreflectieve vermogens en moraal te beschikken. Op hun beurt gingen filosofen dit weer betwisten, waarbij ze steeds probeerden de uniciteit van de mens te handhaven door hem op een of andere manier buiten het rijk van de dieren te definiëren. Deze uitsluitend defensieve stellingname leverde echter geen enkel nieuw inzicht meer op.

Maar nu komt Simon met een nieuw verschil: „Alleen de mens gaat met vakantie, het dier nooit”. De bal in deze eeuwige discussie lijkt weer bij de ethologen te liggen. Zij moeten ons maar eens dieren beschrijven die met vakantie gaan!

Wat Simon vergeet is dat er onder invloed van de soort wetenschappelijke ontwikkelingen die ik aanduidde, ook al filosofen bestaan die de traditie niet herhalen, maar haar creatief vernieuwen. Ze blijken uit dien hoofde zelfs al over het fenomeen van de vakantie te hebben nagedacht.

Peter Sloterdijk bijvoorbeeld onderzoekt de vele soorten gedomesticeerde wezens die zich in ‘Het mensenpark’ bewegen. Daar hoort ook de ‘animal vacans’ bij. Op een vast moment elk jaar zet deze zich massaal in beweging om, ten koste van honderden doden en gewonden, in de richting van een vaste bestemming te rijden. Volgens Sloterdijk is hier allerminst sprake van een autonome mens die in tegenstelling tot het dier zelf vrij zijn bestemming in het leven uitzoekt. We kunnen wat er gebeurt, beter begrijpen vanuit Nietzsches overwegingen over de mens als kuddedier.

Zoals ik al stelde lijkt mij dit soort discussie over de homo vacans versus de animal vacans echter vooral steriel. Spannender en interessanter is het om uit te gaan van de stelling dat de mens ook een dier is. Deze stelling genereert nieuwe hypotheses en levert creatief en vruchtbaar onderzoek op. De drie P’s mogen wat mij betreft dan ook onderhand vervangen worden door een vierde: Pinker.

Steven Pinkers al weer enkele jaren oude studie The blank Slate was het meest fascinerende boek dat ik onlangs las. Hij laat zien dat filosofen en menswetenschappers in grote meerderheid de idee van een uit de evolutie voortgekomen menselijke natuur verwierpen om zo het beeld van de menselijke geest als een ‘schone lei’ te kunnen verdedigen. Op die schone lei kon Plato zijn ideale staat uitstippelen, kon Pico della Mirandola de mens zich als een semigoddelijk wezen laten ontwikkelen en kon Plessner de mens schetsen als een „kunstmatig wezen” los van de natuur.

Pinker betoogt daarentegen overtuigend dat een veelheid van wetenschappelijke gegevens ons dwingt om het bestaan van zoiets als een menselijke natuur met gegeven eigenschappen te aanvaarden. Wetenschappelijk onderzoek kan aspecten hiervan zichtbaar maken. En hiermee kunnen we in de praktijk van ons samenleven maar beter rekening houden.

Laat ik ten slotte één voorbeeld noemen van dit vruchtbare onderzoek dat Pinker ook vermeldt en dat Simon wat denigrerend afwijst.

Frans de Waal heeft in verschillende boeken betoogd dat wij onze menselijke moraal in het verlengde van ontwikkelingen in het dierenrijk moeten begrijpen. Wij moeten afstand doen van de idee van een beestachtige natuur die wij, zoals Freud ook stelt, als morele mensen zouden moeten onderdrukken.

Het perspectief van De Waal is optimistischer, maar het laat tegelijkertijd de grenzen van de moraal zien. Die kunnen we niet hoogmoedig en utopisch eindeloos oprekken en uitbreiden. Het meest verschrikkelijke geweld kwam uit pogingen in deze richting voort. Op deze wijze kan de ethologie ons zowel bemoedigen als bescheiden maken.

De voorwaarde om dit soort ontdekkingen over de menselijke natuur te doen is steeds dat het vruchtbaarder is om te stellen dat de mens ook een dier is, dan om het oude refrein te herhalen dat de mens geen dier is.

Hans Achterhuis is filosoof.

Het artikel van Coen Simon ‘De mens is het enige dier dat op vakantie gaat’ is na te lezen op www.nrc.nl/opinie