Studenten zijn geen wondermiddel

In de Utrechtse wijk Kanaleneiland komen door lagere huizenprijzen steeds meer studenten wonen. Maar dat is niet per se bevorderlijk voor de wijk.

Af en toe wordt de reeks schotelantennes aan de gevels van portiekflats onderbroken door een stapel bierkratten op het balkon. Er komen steeds meer studenten in de Utrechtse wijk Kanaleneiland wonen. Beleidsmakers zien graag een betere spreiding van inkomens en opleidingen in dit soort wijken. Maar studenten en ook andere hoger opgeleiden hebben vaak weinig binding met een wijk, zeggen bewoners en onderzoekers.

Een voormalige verzorgingsflat aan de rand van Kanaleneiland is nu eigendom van de Stichting Studentenhuisvesting. De afgebladderde muren zijn met graffiti bedekt, in het trappenhuis liggen lege bierblikken en ander afval. Uit de wanden hangen losse elektriciteitsdraden. De studenten die hier wonen weten dat het tijdelijk is. Het pand zou gesloopt worden, maar dat wordt steeds uitgesteld.

De flat doet rond het middaguur verlaten aan. Op de vierde verdieping zijn alleen Alwine van Aarle en Michel El Gaba. Ze wonen er nu een half jaar en allebei zijn ze aan het verhuizen. Ze hebben het wel gezien hier, tijd om eindelijk dichter bij de binnenstad te gaan wonen. Michel: „Er is hier niets voor studenten. Ik ga naar de Lidl voor mijn boodschappen, maar verder doe ik eigenlijk niets in de wijk.’’ Dat geldt ook voor Alwine. Ze had zich wel opgegeven voor vrijwilligerswerk, maar heeft daar nooit meer iets van gehoord. „Ik heb verder ook niet veel tijd. Ik wandel wel af en toe door de wijk, maar meer niet eigenlijk.’’

Voor de meeste studenten is Kanaleneiland bepaald geen eerste keus, het is relatief ver van het centrum en de flatwijk biedt weinig vertier. „Studenten wonen hier op doortocht’’, zegt Ger Hogenberg, voorzitter van de Huurdersvereniging Kanaleneiland. Dat studenten de neiging hebben om ’s nachts iets langer door te gaan dan ander buurtbewoners, vindt hij nog tot daaraan toe. „Ze moeten natuurlijk ook ergens wonen, maar het is vooral jammer dat ze nauwelijks betrokken zijn bij het sociale leven in de wijk.’’

Ook in de Utrechtse wijk Overvecht, ten noorden van het centrum, leidde een groeiende concentratie van studenten in bepaalde flats tot gemor onder de andere bewoners. Net als Kanaleneiland staat Overvecht op het lijstje van minister Vogelaar (Wonen, Wijken, Integratie, PvdA), en ook daar zijn de huizenprijzen lager dan in de rest van de stad. Het is voor huisjesmelkers aantrekkelijk om de panden op te kopen en te verhuren aan studenten. Vaak zonder de regels al te nauw na te leven.

Draagt de grote studentenpopulatie, waar Utrecht prat op gaat, dan ook bij aan de verpaupering van woonwijken? „Nee, wij zijn erg blij met de studenten in onze stad’’, zegt wethouder Harrie Bosch (Wonen). „Maar ik begrijp de bewonersklachten wel. Studenten zijn inderdaad minder bezig met hun leefomgeving en te veel studenten ervaren andere bewoners soms als vermindering van de leefkwaliteit. We proberen het huisjesmelkers moeilijker te maken door de afgeschafte omzettingsvergunning voor jongerenverhuur opnieuw in te voeren.’’

Kanaleneiland wordt het slechtst gewaardeerd van alle Utrechtse wijken, een 5,4 tegenover een gemiddelde van 7,4. Een kwart van de bewoners heeft een Nederlandse achtergrond en het gemiddelde inkomen is 70 procent van het stedelijk gemiddelde. Het bouwbeleid voor probleemwijken is deels gericht op het aantrekken van beter opgeleide bewoners. Ook in de toekomstplannen voor Kanaleneiland streeft de gemeente Utrecht naar meer diversiteit in het woningaanbod voor de wijk.

Maar die spreiding moeten gemeenten niet als wondermiddel beschouwen, zegt Nathan Rozema, directeur van onderzoeksbureau Labyrinth. Het bureau is gespecialiseerd in onderzoek naar woonwijken en schreef ook een rapport over het ‘sociaal kapitaal’ van Kanaleneiland. Daaruit blijkt dat het aantrekken van hogere inkomensgroepen naar een wijk, niet automatisch de buurt ten goede komt. „Hoger opgeleiden hebben hun sociale netwerk vaak buiten de buurt. Zij hebben weinig binding met de wijk.” Volgens Rozema moet een gemeente veel meer investeren in het potentieel dat al in de wijk woont. „Nu trekken starters die hier zijn opgegroeid uit de wijk weg, omdat er niets voor ze is. Die moet je in de wijk zien te houden.”

Met dat laatste is wethouder Bosch het eens. „Dat is ook wat wij proberen. Maar in Kanaleneiland en Overvecht zijn de problemen nu zo groot dat we het noodzakelijk vinden om ook op korte termijn andere inkomens naar de wijk te trekken. Hoger opgeleiden leveren juist een nuttige bijdrage aan de buurt. Ze brengen koopkracht in de wijk en verenigen zich in organisaties en stichtingen.”