Nederland winkelt een week gratis

Het is ongelijk verdeeld. Nederland is rijker dan ooit. Maar met de rijkdom groeit de kloof. Wie geen eigen huis, beleggingen op de beurs of een eigen bedrijf bezit, merkt er weinig van.

Ergens in de hoek van de samenleving staat een geldmachine stilletjes te zoemen en te hummen.

De rente is laag, de inflatie is laag, de huizenprijzen stijgen, de beurzen boekten vorig jaar hun vierde achtereenvolgende jaar van koerswinsten en de particuliere inkomens stijgen dankzij het economisch herstel, zodat mensen meer geld opzij kunnen zetten.

Tel de bedragen maar op. De eigen huizen, de aandelen, de spaargelden en deposito’s, de waarde van bedrijven die niet aan de beurs zijn genoteerd. Nederlandse huishoudens bezitten samen een vermogen van 1.948 miljard euro, zo blijkt uit nieuwe cijfers van het Centraal Planbureau (CPB). In cijfers: 1.948.000.000.000 euro. Eind 2005 was dat nog 1.825 miljard. Trek daar de schulden vanaf – voornamelijk woninghypotheken – en wat overblijft is het ‘vrije’ vermogen: 1.304 miljard euro. Een record. Niet alleen in absolute getallen, maar ook als percentage van het beschikbare gezinsinkomen, zeg maar de koopkracht.

Het vrije vermogen is nu 495 procent van het beschikbare gezinsinkomen – de reële koopkracht. Vier jaar geleden, na de terugslag na de internethausse, was dat ‘maar’ 436 procent.

En in zijn becijferingen over de gezinsvermogens telt het CPB de pensioenregelingen niet eens mee. Ook die bedragen zijn vorig jaar gestegen: met ruim 9 procent tot 696 miljard euro, zo blijkt uit de laatste cijfers van De Nederlandsche Bank. Meer dan negen van de tien werknemers sparen via hun baas verplicht voor hun pensioen. Consumenten kunnen hun pensioengelden niet opnemen alsof het spaargeld is, en daarom telt het CPB deze opgebouwde vermogens niet mee voor het financiële vermogen.

De wervelende vermogensgroei is niet alleen een Nederlands fenomeen. De hele vergrijzende, westerse wereld ziet het gebeuren. Internationaal zit Nederland in de kopgroep van vermogende landen. Net als andere spaarzame landen, zoals Japan, scoort Nederland hoog in de categorie gezinsvermogen versus beschikbaar inkomen, zo blijkt uit een studie van Wider, een Finse denktank die gelieerd is aan de Verenigde Naties. Deze cijfers dateren overigens uit 2000. Nederland is goed voor 0,3 procent van de wereldbevolking, maar ‘levert’ 1,4 procent van de welvarenden in de wereld.

Met de voortdurende groei van de financiële vermogens groeien ook de verschillen. Wie geen huis heeft, niet in aandelen belegt en geen spaargeld opzij kan zetten deelt niet in de vermogensversnelling. Financiële vermogens zijn van oudsher verre van gelijk verdeeld. Hoe ouder, hoe vermogender, gemiddeld genomen. Hoe hoger het inkomen, hoe hoger het vermogen.

Actuele en meer gedetailleerde cijfers over de vermogensverdeling zijn, anders dan de globale berekeningen van het CPB, niet beschikbaar. De denktank WRR, de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid, citeert in zijn rapport van vorig jaar over de toekomst van de verzorgingsstaat onderzoek uit 2005 over de generatiekloof. Tussen 1993 en 2000 groeide het gemiddelde vermogen van Nederlanders tussen 55 en 64 jaar met 109 procent tot 171.000 euro. Zij vormen de geluksgeneratie. De Nederlanders onder de 25 jaar boekten een groei van 12 procent (tot 19.000 euro), hun oudere broers en zussen (de leeftijdscategorie 25-34 jaar) zagen hun vermogen met 32 procent stijgen (37.000).

Maar ook onder de ouderen zijn de vermogens niet gelijk verdeeld. „In 2006 heeft 40 procent van de ouderen nauwelijks inkomen en is 69 procent van het totale vermogen geconcentreerd bij 20 procent van de huishoudens”, staat in een werkdocument van het ministerie van Sociale Zaken.

Het financiële vermogen speelt inmiddels een rol van betekenis in de economie. Nederlanders geven al jaren meer geld uit dan zij aan loon en uitkeringen ontvangen. De consumenten financieren hun ‘ongedekte’ bestedingen door een deel van hun vermogen te verzilveren.

Niettemin groeit het vermogen gewoon door. Het CPB raamt voor 2007 en voor 2008 vergelijkbare bestedingsimpulsen als vorig jaar dankzij verzilverde rijkdom. Amerikanen hebben een reputatie van consumeren op de pof, maar Nederland heeft zijn eigen methode: consumeren naar vermogen. De CPB-ramingen betekenen dat Nederland zes jaar achtereen meer heeft geconsumeerd dan consumenten aan reguliere inkomens hebben ontvangen.

Uit de cijfers in het onlangs gepubliceerde eerste hoofdstuk van het nieuwe CPB-spoorboekje voor de economie, het Centraal Economisch Plan, kan worden afgeleid om hoeveel geld het gaat. De huishoudens hebben vorig jaar 8 miljard euro aan consumptie gefinancierd met hun vermogenswinsten. Anders gezegd: bijna negen dagen per jaar winkelt Nederland op kosten van zijn oude sok. Noem het: de renteniersweken.