Mijmeren over scorekaarten

Gisteren vierde de Amerikaanse stad Cincinnati Opening Day, het begin van het Amerikaanse honkbalseizoen.

Het heimwee staat Lou Dollan (76) in de ogen, en hij geniet ervan. Op Opening Day begint de lente, meisjes laten hun benen zien, de deprimerende maanden zonder honkbal zijn voorbij.

Hij zit in het Great American Ball Park van Cincinnati, stoel DD1, en elke wending in het spel van de wedstrijd de Cincinnati Reds tegen de Chicago Cubs is een herinnering. Hij ziet hoe de pitcher een change-up speelt, een langzame bal die snel oogt, zodat de slagman in de lucht maait, en meteen schiet hem een soortgelijk moment uit 1968 of 1989 te binnen.

Hij overdenkt de namen van de spelers die erbij betrokken waren, het belang van de match voor de toenmalige competitie, de uitslag van destijds – en hij voelt dat de soepelheid van zijn hersenen terugkeert. Als Opening Day een uurtje gaande, is tikt Lou Dallon zijn buitenlandse buurman aan: „Ik leef weer.”

In heel Amerika is het deze week Opening Day, maar voor het ware gevoel moet je in Cincinnati, Ohio, zijn. De Cincinnati Reds werden in 1869 de eerste profhonkbalclub in de VS, en op Opening Day staat het leven hier stil. Alles draait om honkbal, the American game. Iedereen heeft vrij. Er is een parade, een markt, de bierpompen gaan ’s ochtends al open. Ook mensen die nooit naar de Reds gaan hijsen zich in het rood van de club.

Honkbal is op zijn retour in de VS, American football is nu nummer één. Football sluit de duurste televisiecontracten, de Super Bowl is het evenement van het jaar. Honkbal verliest belangstelling van jongeren en zwarten.

Maar honkbal heeft traditie, nostalgie, melancholie. Gevoelens die in het Amerikaanse leven niet gemakkelijk een uitweg vinden. Het Great American Ball Park is vandaag overbevolkt met mannen van boven de vijftig die als kind aan de hand van hun vader naar het stadion wandelden. En die op lange zomeravonden, het oor aan de radio, de resultaten op scorekaarten van Big Boy bijhielden, restaurantketen voor de gewone man. Het Amerika van de jaren vijftig, de wereld van vóór de War on Terror.

Howard Wilkinson, politiek redacteur van de Cincinnati Enquirer, kan vertederd over de scorekaarten vertellen. Hij is uren na de openingsmatch in een rood poloshirt een bruine kroeg vlakbij het stadion binnengestapt. Hij is opgetogen (5-1 gewonnen) en weet alles van de Reds. De hoofdredactie heeft hem al vaak gesmeekt honkbalverslaggever te worden. „Maar dan moet ik afstand nemen, dat wil ik niet.”

Zijn scorekaarten liggen thuis in mapjes. Tientallen jaargangen. Als hem een herinnering aan een match te binnen schiet, loopt hij met zijn vingers langs de mapjes en vist er de goede kaart uit. O heerlijke nostalgie. Hij bekijkt de cijfers, mijmert weg. „Waarom? Omdat je altijd uitkomt bij de eerste keer dat je zelf een bal probeerde te slaan.”

Dit is de eerste van drie afleveringen over het begin van de Amerikaanse honkbalcompetitie.