‘Ik wil cultureel themawarenhuis’

Stanley Bremer van het Rotterdamse Wereldmuseum ligt onder vuur omdat hij te veel commerciële activiteiten zou ontplooien. Onzin, vindt de directeur: „Als je niets doet, komen de mensen sowieso niet.”

Stanley Bremer van het Wereldmuseum Foto NRC Handelsblad, Vincent Mentzel Stanley BREMER,directeur Wereld Museum te Rotterdam.foto VINCENT MENTZEL/NRCH==F/C==Rotterdam, 31 maart 2006 Mentzel, Vincent

Eén fout kan hem aangewreven worden, zegt Stanley Bremer in zijn werkkamer aan de Willemskade. Een van de teksten ter promotie van de Dalai Lama-tentoonstelling deugde niet, erkent de directeur van het Rotterdamse Wereldmuseum. „Bedrijf minstens drie keer per week de liefde was een van de slogans op de e-mailcards, maar die bleek inderdaad niet van de spiritueel leider van Tibet. Dom, en die fout hebben we dan ook snel hersteld.”

Maar om op basis van dat „onbezonnen moment” te concluderen dat hij van kunst geen verstand heeft, gaat Bremer (1952) te ver. Of dat hij de toekomst van het volkenkundig museum op het spel zet door te kiezen voor commerciële activiteiten, zoals het uitbaten van een eigen restaurant en van een reisbureau. Over dat laatste is het museum in onderhandeling met twee partijen, omdat Kras in februari is gestopt met de verkoop van reizen in de hal.

De Schiedamse kunstverzamelaar Piet Sanders wekte onlangs rumoer met de aankondiging zijn schenking Afrikaanse kunst terug te halen uit ergernis over de commerciële koers. Bremer: „Ik doe wat ik moet doen: anticiperen op de toekomst. Over tien, vijftien jaar moeten wij tweederde van onze begroting (4,5 miljoen euro, red.) zelf verdienen. De tijd van het handje ophouden bij de overheid is voorbij.”

Zijn missie? Het Wereldmuseum ombouwen tot een „cultureel themawarenhuis” met „volop ruimte voor zintuiglijke beleving”. En daar hoort anno 2007 een restaurant bij. „Een bezoeker moet een thema à la Tibet niet alleen kunnen zien, maar ook horen, ruiken, voelen en proeven. Het gaat om een – vergeef me de vreselijke term – ‘totaalbeleving’. Elders is dat al lang en breed geaccepteerd, maar ja, wij leven in Nederland. En dus vallen we met z’n allen over de directeur heen.”

Vastklampen doet Bremer zich aan „een stroom van positieve reacties van mensen die wel bereid zijn over de eigen schutting heen te kijken, en dus wél geloven in cultureel ondernemerschap”. „Elke vernieuwing roept weerstand op. Zeker in de kunstwereld, waar iedereen liever z’n handje ophoudt dan nadenkt over de vraag hoe zelf geld te genereren. En krijgen ze geen subsidie, dan staan ze te mauwen als Calimero.”

De cijfers spreken in zijn voordeel, vindt Bremer, die zes jaar geleden aantrad, toen het museum met een forse schuld (drie miljoen euro) worstelde en jaarlijks 50.000 bezoekers trok. „Conservatoren maakten de dienst uit, terwijl die zich met collecties moeten bezighouden, niet met de bedrijfsvoering. We hebben harde beslissingen moeten nemen, met onder meer twee ontslagen, maar dat was nodig. Het museum was op sterven na dood. Nu zitten we op 130.000 bezoekers en een gezond eigen vermogen van drie miljoen.” Maar telt Bremer ook de klanten van het reisbureau op de begane grond mee? „Ja uiteraard, zij bezoeken ook de tentoonstellingen en elke bezoeker is er één.”

Critici menen dat Bremer zichzelf in de vingers snijdt door te gokken op ‘het multiculturele Rotterdam’ (47 procent allochtonen). Hoofdschuddend: „Alsof een allochtoon per definitie arm is en op Zuid woont. We hebben het afgelopen jaar een test gedaan, met de vrijdagavonden tot elf uur open. Wat bleek? Veel jongeren over de vloer, de yoco’s zoals ik ze noem: de young cosmopolitans. Jong en kapitaalkrachtig, die ook cultuur willen opsnuiven. Daar zaten opvallend veel hoog opgeleide allochtonen bij.”

Verwijt hem ook niet dat hij de voormalige yachtclub (1920) van prins Hendrik ombouwt tot ‘een pretfabriek’, waarbij kunst bijzaak wordt. „In weerwil van alle berichten: wij hebben vijf conservatoren in dienst. In onze plannen staat bovendien dat het aantal geëxposeerde voorwerpen in de vaste opstelling gaat uitbreiden, van 600 naar ruim 2.500. Onder meer door functioneler gebruik te maken van de ruimtes (1.000 vierkante meter, red.), die we in samenspraak met Monumentenzorg ook nog eens in de oorspronkelijke staat hopen terug te brengen. Dat betekent: mét de oude wenteltrap, die ooit is afgebroken en mét de restauratie van de balzaal. Dat zal het gebouw in balans brengen en grandeur geven.”

Hoog spel zegt Bremer niet te spelen. Zijn bedrijfsvoering is gebaseerd op de 4,5 miljoen euro, die zijn volkenkundig instituut jaarlijks van de gemeente ontvangt. „We nemen een risico, maar een verantwoord risico. Dat hebben vijf externe accountantbureaus bevestigd. We gaan geen aanslag plegen op ons exploitatiebudget, maar we moeten jaarlijks wel één miljoen terugverdienen. Dat kan, maar dan alleen door de bezoekers mee te nemen op een kosmologische reis en onze voorwerpen op religieus-spirituele wijze te ontsluiten.”

Daarnaast wil Bremer het terras aan de Willemskade, te voorzien van vier reusachtige kunstwerken, gaan uitbaten. „Ik hoor de critici alweer roepen: een terras is geen museale taak. Nee, dat kan wel wezen, maar de gemeente wil deze prachtlocatie gaan benutten. Wij doen graag mee. Als wij ook maar een kwart van die mensen weten te verleiden om ook naar binnen te gaan, is dat pure winst.”

Bezoekers kunnen in de toekomst tot elf uur ’s avonds terecht. „Om vijf uur de deuren sluiten, dat is achterhaald. Wij bewegen ons in de vrijetijdseconomie, en die begint pas om vijf uur. Als je niets doet, komen de mensen sowieso niet. Is dat wat we willen? Dat de deuren hier voorgoed dicht gaan?”

Rectificatie / Gerectificeerd

Het artikel ‘Ik wil cultureel themawarenhuis ’ (3 april, pagina 10) situeert het Wereldmuseum in Rotterdam in de voormalige yachtclub (1920) van prins Hendrik. Dat jaartal klopt niet. De club is in 1846 opgericht, het clubgebouw was in 1851 gereed. In 1882 werd de club opgeheven. Sindsdien is het gebouw als museum in gebruik.