Gewoon burgeroorlog

Het verzet tegen de Spaanse onderdrukker, dat is het beeld van de Tachtigjarige Oorlog.

Maar Nederlanders vochten destijds vooral tegen elkaar.

Vaderlandse geschiedschrijvers hebben de Tachtigjarige Oorlog (1568-1648) over het algemeen beschreven in epische termen: ‘opstand tegen politieke en religieuze onderdrukking’, ‘nationale bevrijdingsoorlog’, ‘sociale revolutie’. Een enkeling noemt het conflict wat het óók was: een burgeroorlog.

Henk van Nierop, hoogleraar Nieuwe Geschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam, werkt aan een boek waarin hij argumenten aanvoert voor deze omstreden, want niet heel heroïsche karakteristiek van De Opstand. Hij hield een inleiding voor het Netherlands Institute for Advanced Studies (NIAS) over zijn bevindingen.

Wie vocht er ook alweer tegen wie, en waarom? De opstandige partij wilde ruimte voor de protestanten. Alle buurlanden kenden een regeling waarbij het protestantisme de enige toegestane godsdienst was óf gedoogd werd. Alleen in de door Habsburgers bestuurde Nederlanden moesten reformatorische christenen worden vervolgd.

Die situatie was niet te handhaven, maar de katholieke koning Filips II gaf geen duimbreed toe. Het conflict had, behalve een godsdienstige, ook een politieke dimensie. De adel wilde herstel van oude, door de koning aangetaste privileges en de burgerij eiste inspraak. De koningsgezinde partij was van mening dat dit zou leiden tot chaos. De vorst moest absoluut gezag hebben.

Van Nierop vraagt zich allang af hoe we de Tachtigjarige Oorlog moeten zien. Halverwege de jaren negentig had hij een schokkende leeservaring. „Ik las het dagboek van een monnik uit Gouda, die als vluchteling leefde in het koningsgezinde Amsterdam. In die dagen werd het platteland van Holland geteisterd door geweld. Hij beschrijft de chaos om hem heen en is ontzettend bang dat hij daarin ten onder gaat. Zijn leven wordt kapotgemaakt en hij ziet dit als een beproeving van God.

„Al lezende dacht ik: voor velen in de Nederlanden was dit helemaal geen strijd voor vrijheid. Het deed me sterk denken aan wat er destijds in Joegoslavië gebeurde: een burgeroorlog waarin mensen elkaar om vaak onduidelijke redenen naar het leven stonden.”

Van Nierop schreef daarop Het Verraad van het Noorderkwartier – Oorlog, terreur en recht in de Nederlandse Opstand (1999). Dat boek had enige invloed. „Historici erkennen dat het conflict ook een burgeroorlog was, maar meestal in een bijzin. Ik wil nu wat preciezer uitleggen hoe men destijds tegen die episode aankeek. Voor de mensen rond Willem van Oranje en voor de calvinisten was het een strijd voor politieke en religieuze vrijheid, voor koning Filips was het een strijd tegen rebellen en ketters, maar voor anderen was het niets anders dan een burgeroorlog.”

Wat maakte het een burgeroorlog?

„Nederlanders vochten tegen Nederlanders. Omdat Filips ook koning van Spanje was, kon hij zijn Spaanse financiële en militaire hulpbronnen inzetten in de Nederlanden. Daardoor werd het in veler ogen een conflict van Nederlanders tegen Spanjaarden. Oranje en zijn spindoctors maakten daarvan gebruik om een beeld te schetsen van Spaanse onderdrukking, waartegen alle Nederlanders zich teweer moesten stellen. Als hij het conflict had voorgesteld als een strijd tussen protestanten en katholieken, had hij veel minder mensen op de been gekregen.

„Het koninklijke leger had een Spaanse kern, maar bestond na 1572 in meerderheid uit Zuid-Nederlandse en Nederduitse regimenten. De commando’s werden gegeven in het Nederlands. Tijdens het beleg van Haarlem, Alkmaar en Leiden waren er Nederlanders onder de belegeraars en de verdedigers. Leden van adellijke families streden in verschillende kampen.”

Was deze burgeroorlog ook een oorlog tussen burgers?

„Als Zeeuwse en Hollandse steden overgingen naar de Watergeuzen (een vloot bemand met ballingen om het geloof, verarmde adel, werkloze zeelui en avonturiers van allerlei slag, die van Willem van Oranje kaperbrieven hadden gekregen, red.), was lang niet iedereen het daarmee eens. Dat gebeurde meestal door een coup van de schutterijen en teruggekeerde ballingen. Grote groepen burgers vluchtten weg en vestigden zich in koningsgezinde steden als Antwerpen, Amsterdam en Utrecht. Over het algemeen liet de bevolking het vechten over aan beide legers, die bestonden uit betaalde beroepssoldaten.”

Canon-schrijvers kunnen waarschijnlijk niet uit de voeten met uw beeld van De Opstand.

„Dat is goed mogelijk, want het is een vorm van ontmythologisering. Het aspect van ‘burgerlijke onenigheid’ is in de loop der tijd ondergesneeuwd, omdat we de geschiedenis graag zin geven. Terugkijkend vanuit de Nederlandse natiestaat van de negentiende en twintigste eeuw ligt in De Opstand de oorsprong van de Republiek en van het Koninkrijk der Nederlanden. Als we het conflict een nationale onafhankelijkheidsoorlog noemen, zijn de doden niet voor niets gesneuveld. Maar tijdens het conflict was die uitkomst nog ongewis. Waar ik aandacht voor wil vragen, is dat niet iedereen bezig was een nieuwe staat te vormen.”