Geen professorenblad

Het tijdschrift Onze Taal bestaat 75 jaar. De redactie wil laten zien hoe leuk taal is.

Zwaaien met een opgeheven vinger gebeurt al lang niet meer.

In de jaren dertig van de vorige eeuw was de opkomst van Adolf Hitler niet het enige gevaar vanuit het oosten waarvoor rechtgeaarde Nederlanders beducht moesten zijn. Lang voordat het Duitse leger in mei 1940 de grens overtrok, was de Duitse taal namelijk al aan een inval begonnen.

Om de opmars van germanismen in het Nederlands een halt toe te roepen, werden daarom in maart 1932 het genootschap Onze Taal en het gelijknamige tijdschrift opgericht. In de 75 jaar dat het blad deze maand bestaat, is het accent van de berichtgeving aanzienlijk veranderd. Niet langer tracht de redactie uit alle macht buitenlandse woorden buiten de deur te houden. Zeker, Onze Taal blijft met alternatieven komen voor buitenlandse termen (zie kader), maar de nadruk ligt nu vooral op het plezier dat met de Nederlandse taal te beleven valt.

In de voormalige PLO-ambassade in Den Haag bevindt zich op de bovenste verdieping de taaladviesdienst van het genootschap. Daar worden jaarlijks tegen een beltarief telefonisch 12.000 taaladviezen verstrekt. Een verdieping lager buigt een vierkoppige redactie zich over de inhoud van het tijdschrift met een oplage van 37.000 exemplaren. Alle leden van het genootschap krijgen het blad toegestuurd. Daarnaast is het te koop in de betere boekhandel.

Genootschapsdirecteur Peter Smulders is de langstzittende redacteur van het tijdschrift. Hij kwam in 1983 als student het enige redactielid Jan Renkema een handje helpen. In de kwarteeuw die volgde, heeft Smulders het blad sterk zien veranderen. „De opgeheven vinger waarmee we onze lezers tegemoet traden, is steeds meer verdwenen.”

In de eerste vijf decennia van het tijdschrift kon iedere kenner artikelen over de Nederlandse taal insturen, en dat werd dan geplaatst. Dat leidde niet altijd tot leesbare uitgaven. Inmiddels verzoekt de redactie specifieke auteurs om een stuk en wordt er driftig geredigeerd. Dat wordt niet door alle wetenschappers op prijs gesteld, weet Smulders. „Die zeggen dan dat ze al dertig jaar publiceren en zoiets nog nooit hebben meegemaakt. Maar ja, schrijven voor een algemeen publiek is een kunst die niet iedereen beheerst. Onze Taal moet leesbaar zijn voor een professor én een tuinman.”

Een andere belangrijke ontwikkeling is de toegenomen participatie van ‘gewone’ lezers. Op de achterkant is een selectie te zien van opgestuurde knipsels met taalfouten uit diverse media. Smulders: „Mijn persoonlijke favoriet in het blad is de rubriek ‘Taalergernissen’. Daar spuien lezers hun gal over allerlei zaken die met taal te maken hebben. Daar kom je erg leuke dingen tegen.”

Smulders is ervan overtuigd dat de koerswijziging richting een iets luchtiger tijdschrift de verklaring is voor het succes van Onze Taal. „In België bestond een soortgelijke vereniging die ook een blad uitgaf over de Nederlandse taal. Daar bleef men de nadruk leggen op het bewaken van de taal. Terwijl ons abonneebestand flink gegroeid is de afgelopen decennia, ging het in Vlaanderen zo hard bergafwaarts dat de vereniging zich vorig jaar heeft moeten opheffen.”

De ‘opleuking’ van Onze Taal ging niet zonder gemopper van kritische lezers gepaard, herinnert Smulders zich. „Toen we voor het eerst illustraties afdrukten, kregen we brieven van mensen die deze ruimte toch liever aan letters besteed zagen.”

Omdat Onze Taal een verenigingsblad is, is het tijdschrift financieel niet afhankelijk van de losse verkoop. Daar is Smulders blij om, want er zijn grenzen aan de verluchtiging van de formule. „Een blad als Psychologie Magazine, dat ook populair-wetenschappelijk van aard is, moet elke maand een aantrekkelijke vrouw op het omslag zetten om voldoende aandacht te trekken in de schappen. Ik ben niet wars van aantrekkelijke vrouwen, maar dat lijkt me toch wel erg deprimerend.”

Bekijk de taaladviezen op www.onzetaal.nl