Frans van A. twijfelt even over aandeel gifgaszaak

De zakenman Frans van A. ging bij het gerechtshof Den Haag in beroep tegen zijn straf voor het medeplegen van Iraakse oorlogsmisdaden. Daar twijfelde hij even over zijn eigen aandeel.

Hij wist vrijwel niets meer en kon zich niet herkennen in de geschetste beelden. Maar Frans van A. deed deze keer wel zijn mond open. Eén keer, toen hij sprak over de gifgasaanval van Irak op 16 maart 1988 op het Koerdische stadje Halabja, zei hij iets wat in de buurt kwam van een bekentenis. „Toen ik de beelden zag, werd ik daar niet goed van. Ik kon de mogelijkheid niet uitsluiten dat ik er iets mee te maken zou kunnen hebben.”

Het gerechtshof in Den Haag is gisteren begonnen met het hoger beroep tegen de Nederlandse zakenman Frans van A., die in december 2005 werd veroordeeld tot vijftien jaar gevangenisstraf wegens medeplichtigheid aan Iraakse oorlogsmisdaden. Van A., zo oordeelde de rechter toen, heeft de grondstoffen geleverd voor het mosterdgas waarmee het Iraakse regime van Saddam Hussein enkele Koerdische dorpen en steden heeft gebombardeerd. Bij die aanvallen kwamen tienduizenden mensen om het leven.

Zowel de verdachte als het Openbaar Ministerie (OM) zijn in beroep gegaan tegen dat vonnis. Het OM was teleurgesteld dat de rechter het belangrijkste feit uit de tenlastelegging, medeplichtigheid aan genocide, niet bewezen achtte. Voor de hoogte van de straf maakte het niets uit: ook voor medeplichtigheid aan oorlogsmisdaden kreeg Van A. al de maximumstraf van vijftien jaar cel.

Het hoger beroep begon met de behandeling van twee documenten die nog niet aan het licht waren gekomen bij de eerdere behandeling van de zaak. Het ene stuk is een kopie van een brief van Van A. aan Saddam Hussein, waarin de zakenman vroeg of de dictator hem het Iraakse staatsburgerschap zou willen verlenen.

Het andere document is een kopie van een bericht van de Iraakse geheime dienst. Daarin wordt gemeld dat Van A. een belangrijke bijdrage heeft geleverd aan de Iraakse militaire industrie door het leveren van schaarse, verboden chemische wapens. Beide documenten hebben volgens het OM een rol gespeeld bij zaken van het Hoge Tribunaal in Bagdad, dat onder meer de voormalige dictator Saddam Hussein tot de dood veroordeelde.

De rechter legde de twee documenten gisteren voor aan Van A. Zijn eigen brief aan Saddam Hussein herkende hij. „Die is voor een groot deel aan mij gedicteerd.” Het tweede document, van de Iraakse geheime dienst, kwam Van A. „niet bekend voor”. De zakenman ontkende alle beweringen in het bericht. Zo zou het dictatoriale regime hem ook nooit een woning, salaris of een contract hebben gegeven.

De advocaten van Van A. vroegen zich sterk af of het document wel authentiek was. Het OM heeft van de rechter tot 20 april de tijd gekregen om een verklaring te bemachtigen van een griffier van het Iraakse tribunaal, om te bewijzen dat het stuk daadwerkelijk voorkomt in de dossiers van het tribunaal.

Behalve het opduiken van de twee documenten is er weinig veranderd ten opzichte van de aanvankelijke rechtszaak. Ook het gerechtshof zal moeten beoordelen of Van A. had kunnen of moeten weten dat het Iraakse regime de door hem geleverde grondstoffen gebruikte voor de mosterdgasaanvallen op de Koerdische bevolking. Van A. blijft erbij dat hij dat niet wist. Ook heeft hij „nooit iets gemerkt” van de achtergestelde positie van Koerden in Irak of van spanningen tussen Koerden en de rest van de Iraakse bevolking. Enkel in de opmerking over zijn mogelijke betrokkenheid bij het bombardement op Halabja klonk twijfel.

Een belangrijke vraag die het gerechtshof zal heroverwegen, is of Van A. op de hoogte had kunnen zijn van de plannen van Saddam Hussein om een bevolkingsgroep te vernietigen. Het antwoord moet uitwijzen of Van A. alsnog medeplichtig wordt geacht aan genocide.