Experimenteren op een oude akker

Twee ecologen leefden hun nieuwsgierigheid uit op een oude maïsakker aan de Veluwerand. Voor het bevorderen van soortenrijkdom, zo blijkt, hoef je niet in te zaaien.

In natuurlijke graslanden, die nooit zijn ingezaaid, ontstaat uiteindelijk de grootste soortenrijkdom. Dat is belangrijk nieuws voor natuurontwikkelaars, zeggen de ecologen Martijn Bezemer en professor Wim van der Putten van het Nederlands Instituut voor Ecologie (NIOO-KNAW) en Wageningen Universiteit in het vakblad Nature.

Midden tussen de bossen en heiden van het Planken Wambuis, een natuurgebied van Natuurmonumenten aan de zuidelijke Veluwezoom, lag nog een flinke maïsakker, plaatselijk bekend als de Mossel. Hier werd jarenlang geploegd en gezaaid, bemest en bespoten. Toen de laatste pachter in 1996 vertrokken was, werd deze oude Veluwse akker, 50 hectare groot, teruggegeven aan de natuur. Al snel ontstond een bonte bloemenweide met wuivende grassen en margrieten. Natuurmonumenten laat hier nu een kudde paarden grazen. Een stuk van 5000 vierkante meter werd als proefveld ingericht om allerlei recepten voor natuurontwikkeling te vergelijken. Een haas rent langs het hoge hek, dat ook paarden en edelherten, vossen, reeën en wilde zwijnen buiten houdt. „Als je hier zo op je knieën tussen de planten rondkruipt, komen de paarden vaak een kijkje nemen”, vertelt Martijn Bezemer. „Regelmatig zie je wilde zwijnen langs het hek scharrelen. Moet je zien hoe ze de grond hier hebben omgewoeld!”

Binnen het hek zijn kleine proefveldjes afgebakend met houten paaltjes. Sommige veldjes zijn oorspronkelijk ingezaaid met een mengsel van vijftien wilde grassen en kruiden. Op andere veldjes zijn alleen twee tengere grasjes en twee kruiden ingezaaid, in weer andere plots helemaal niets, of toch weer maïs. „Het lijkt misschien vreemd om een toekomstig natuurgebied in te zaaien,” zei Wim van der Putten zeven jaar geleden in deze krant. „Maar de ervaring met natuurontwikkeling heeft geleerd dat op een voorheen zwaar bemeste akker vaak zo’n dichte grasmat ontstaat dat andere plantensoorten daar nauwelijks meer tussenkomen.” Nu denkt hij daar heel anders over. Na tien jaar experimenteren is de balans opgemaakt van eindeloos rekenen aan gegevens over soortensamenstelling, biomassaproductie, betrekkingsgraad van de vegetatie enzovoorts. Welk recept om natuurontwikkeling te versnellen werkt nu het beste? „Anders dan verwacht hebben de niet ingezaaide veldjes de grootste soortenrijkdom èn de grootste dynamiek”, zegt Bezemer. „Plantensoorten komen en gaan, het beeld is elk jaar anders.”

Het is stralend weer, de leeuweriken hebben er zin in. Maar de plantengroei oogt zo vroeg in het voorjaar nog weinig spectaculair. „Er staat wel Trilgras of Bevertjes”, wijst Bezemer, „maar die hebben we zelf ingezaaid.”

De Veluwse proefveldjes zijn de laatste elf jaar niet gewied. Dit in tegenstelling tot de experimenten van de Amerikaanse ecoloog David Tilman. Bij Cedar Creek in Minnesota voert hij al tien jaar een enorm experiment uit. Graslandjes zijn ingezaaid met verschillende soorten planten. Veldjes met de meeste soorten blijken ook de meeste ‘biomassa’ te produceren. Die biomassa bleek er ook door de jaren heen het meest constant. Tilmans conclusie is dat ecosystemen minder stabiel worden door het soortenverlies. Maar werkt dat echt zo in de natuur?

„Het grote verschil is dat Tilman de hele zomer 50 werkstudenten inzet om zijn soortenrijkdom kunstmatig in stand te houden”, zegt Van der Putten. „Alle planten die niet zijn ingezaaid worden met de hand uitgewied. Wij wieden niet, we hebben de natuur na het inzaaien op zijn beloop gelaten. Dan ontstaat een heel ander beeld!” „En dat bleek interessant genoeg voor Nature”, vult Bezemer aan. „In ons vak zijn de afgelopen tien jaar verhitte discussies gevoerd over de vraag of soortenrijkdom een voorwaarde is voor een stabiel ecosysteem.”

Veluwse veldjes die ingezaaid zijn met 15 soorten, zijn, net als in de proeven van Tilman, diverser gebleven dan velden die oorspronkelijk met vier soorten zijn ingezaaid. Ze produceren bovendien meer biomassa en de soortensamenstelling is stabieler. In veldjes die nooit zijn ingezaaid, zie je nu echter de grootste plantenrijkdom. Tegelijkertijd zijn deze plots het minst stabiel: soorten verschijnen en verdwijnen. Het Veluwse experiment laat zien dat in natuurlijke plantengemeenschappen biodiversiteitsrelaties totaal anders kunnen zijn dan in de kunstmatige gemeenschappen, waarbij de onderzoeker door soorten in te zaaien de natuurlijke dynamiek verandert.

Deze resultaten zijn van belang voor het natuurbeheer. Beheerders zien graag een stabiele natuurontwikkeling, maar blijkbaar gaat soortenrijkdom samen met enige instabiliteit. „Als je ervoor zorgt dat soorten een natuurontwikkelingsgebied kunnen bereiken, moet je de natuur verder haar gang laten gaan. Als je toch inzaait, doe dit dan op kleine plekken”, zegt Van der Putten. „Die werken dan als een Ark van Noach.”