Boeiend is Bloemhof vast, voor één dag

Minister Vogelaar bezocht vorige week de probleemwijk Oud-Zuid in Rotterdam.

„Boeiend”, zei ze. Zal ik de waarheid dan maar zeggen?

Vorige week begon minister Ella Vogelaar (Wonen, Wijken en Integratie, PvdA) haar tournee langs de veertig landelijk aangewezen achterstadswijken met een bliksembezoek aan Oud-Zuid in Rotterdam. „Boeiend”, vatte ze haar ervaring samen. Ze was ook „veel kracht in de achterstandswijken tegengekomen” en vond het „minder zwart-wit dan gedacht.”

Van 1991 tot 1996 woonde ik zelf in Bloemhof, een van de wijken die samen met Katendrecht, Hillesluis, Afrikaanderwijk en Tarwewijk tot Oud-Zuid behoort. De vloer van mijn piepkleine arbeidershuisje uit de jaren twintig had alles weg van een hellingbaan en ik leerde er ten volle de betekenis van optrekkend vocht begrijpen. Mijn toenmalige bovenbuurman, die er al zijn hele leven woonde, gaf me de verklaring: de hele wijk was gebouwd op moerasgrond.

Toen er naar mijn smaak wat te veel invallen en schietpartijen in mijn straat begonnen plaats te vinden, de politie ’s nachts mijn slaapkamerraam probeerde te forceren – „sorry, we dachten dat we hier moesten zijn” – en een psychotische buurman op een mooie dag het onontwarbare braambos achter ons rijtje huizen in de hens wilde zetten, vond ik het tijd om te verhuizen. Ik had er inmiddels – ook niet onbelangrijk – de financiële middelen toe.

Dat was toen. De straat waarin ik woonde is sindsdien, zoals dat in Rotterdam heet, flink opgezoomerd. Mijn huisje en het rijtje waar het deel van uitmaakte, staan er niet meer. In de omgeving is veel nieuw gebouwd. Er is ook meer speelruimte voor kinderen, zag ik, toen ik afgelopen zondag bij wijze van experiment met mijn achtjarige zoontje mijn oude wijk bezocht. We streken neer op een bankje om van de nieuwjaarszon te genieten. Het bankje stond zo ongeveer in mijn voormalige slaapkamer, en ik constateerde dat mijn straat leefbaarder leek dan twaalf jaar geleden. Ik voelde me op een eigenaardige manier ontheemd.

Toen we verder liepen en op de Putsebocht terechtkwamen, bleek de sfeer daar tot mijn opluchting echter nauwelijks minder grimmig dan vroeger; nog steeds ingeslagen winkelruiten, nog steeds dubieuze geblindeerde bedrijfjes, nog steeds dichtgespijkerde deuren en nog steeds het vertrouwde straatvuil dat op elke straathoek naar je kuiten hapt.

„Boeiend”. Zo kan je het noemen als je minister Vogelaar heet en – ongetwijfeld met entourage – een nacht in een speciaal hiervoor ingericht huis verblijft. En er is zeker ook „veel kracht” nodig om in de achterstandswijken te overleven. Maar voor mij getuigen dat soort soundbytes van een oud-Hollands prefab-optimisme dat mij weinig hoopvol stemt.

Toen ik naar huis reed kon ik alleen maar blij zijn dat ik er niet meer woon en mijn zoontje er niet hoeft op te groeien. En ik durf te wedden dat jij stiekem iets dergelijks dacht, Ella.

Arjen Kolk woonde van 1991 tot 1996 in Rotterdam Oud-Zuid en is toen verhuisd naar de wijk Blijdorp, waar hij nog steeds woont.

De Praktijk is een rubriek over een actuele kwestie met een persoonlijke toon. Bijdragen sturen naar opinext@nrc.nl