Zie nationaliteit ook eens als een praktische kwestie

De discussie over dubbele nationaliteit heeft iets kunstmatigs voor iemand die het staatsburgerschap van meer dan één land bezit. Hij/zij wordt geproblematiseerd en hem/haar worden soms deugden of, vooral, ondeugden toegeschreven waarin hij/zij zich niet herkent. Paul Scheffer schrijft dat het beter is om „de beladen term loyaliteit te laten rusten en te spreken over burgerschap en verantwoordelijkheid” (Opiniepagina, 21 maart). Helaas verzuimt hij aan het begrip ‘verantwoordelijkheid’ inhoud te geven.

Burgerschap is een minder ambivalent begrip: de staat verwacht van zijn burgers dat zij de wetten naleven. Vanuit het gezichtspunt van de staat kan verantwoordelijkheid gelijk worden gesteld aan gehoorzaamheid aan de wetten. Of wij dat van harte doen of knarsetandend is voor de staat van weinig of geen belang. Voor de rest kan iedereen zijn eigen gang gaan.

Wat zijn de motieven om voor meervoudige nationaliteit te kiezen? Deze kunnen sterk uiteenlopen. In 1989 trouwde ik met een Ierse vrouw (die op dat ogenblik een dubbele nationaliteit bezat, de Ierse en de Britse) en een jaar later vestigde ik mij in Ierland. Op grond van mijn huwelijk had ik recht op een Iers paspoort. Omdat de Ierse nationaliteit in samenhang met een huwelijksrelatie werd verleend kon ik, op grond van de rijkswet op het Nederlanderschap, mijn Nederlandse nationaliteit behouden. Op het moment dat dit speelde hadden mijn vrouw en ik al besloten in Frankrijk te gaan wonen.

Een belangrijke reden om de Ierse nationaliteit aan te vragen was de ervaring dat in een aantal landen voor houders van een Iers paspoort meer deuren gemakkelijker open gaan dan voor houders van een Nederlands paspoort. Kortom, het aanvragen van mijn tweede nationaliteit berustte in hoge mate op overwegingen van pragmatische aard.

Scheffer schrijft dat de kwestie van dubbele nationaliteit niet uit zichzelf weggaat. „Daarvoor is de symbolische betekenis van nationaliteit te groot.” Ik stel daartegenover: dat hangt er maar van af. Iets is een symbool als het als zodanig wordt ervaren. Republikeinen in Nederland ervaren de monarchie niet als een symbool van de eenheid van de natie. Hun wordt niets in de weg gelegd.

Een vergelijking met de symbolische duiding van het huwelijk dringt zich op. Voor de staat is het vooral een juridische constructie, waarbij het er niet toe doet of de echtelieden van elkaar houden. Voor de rooms-katholieke kerk is het een sacrament. Voor veel echtparen is het een symbool en bevestiging van hun wederzijdse liefde, maar hun aantal is relatief afgenomen: vele anderen, die niet minder van elkaar houden zien het burgerlijk huwelijk veeleer als een keurslijf, een formaliteit die het beste kan worden vermeden. Gaat het met nationaliteit niet eenzelfde kant uit in deze tijd van europeanisering en mondialisering? Waarom zouden we ons daarover juist nu zorgen moeten maken?

Vergeleken met vele andere landen is Nederland nooit een echt nationalistisch land geweest – daarvoor waren we intern te verdeeld (verzuiling) en waren de (handels)relaties met andere landen te intensief. Er zijn voorbeelden van andere uitersten. In het huidige Frankrijk zwaait zelfs de socialistische presidentskandidaat met de Franse vlag en laat ze haar verkiezingsbijeenkomsten eindigen met de gezamenlijk gezongen Marseillaise. Moet Nederland die kant uit? Waar ligt de grens tussen nationaliteit als symbool en nationalisme als ideologie? Hoeveel bewijzen zijn er niet van de verwoestende werking van nationalisme? Dat hellende vlak moet worden vermeden. Dat is minder moeilijk dan het misschien schijnt. Voor de Nederlandse staat is het van primair belang dat de wetten beantwoorden aan het non-discriminatiebeginsel zoals dat in artikel 1 van onze Grondwet is geformuleerd en, natuurlijk, worden nageleefd.

De wetgeving voor het actieve en passieve kiesrecht van buitenlanders is simpel. De wet eist geen verklaring van ‘loyaliteit’ of ‘verantwoordelijkheid’. Er is geen reden vooraf te veronderstellen dat volksvertegenwoordigers met een dubbele nationaliteit het ‘Nederlandse belang’ meer eenzijdig interpreteren, c.q. meer schaden dan bijvoorbeeld (oud-)voorzitters van een werknemers- of werkgeversorganisatie die in het parlement zijn gekozen of in het kabinet benoemd.

Het grootste gevaar wordt gevormd niet door Nederlanders met een dubbele nationaliteit, maar door politieke leiders die met het oog op de kiezersgunst in troebel water vissen en intolerantie prediken jegens staatsburgers met een van de meerderheid afwijkend cultuurpatroon. Tot voor kort werd in dit verband vooral aan (extreem-)rechtse politici gedacht. Na het interview van SP-leider Jan Marijnissen met De Telegraaf dit weekend is het spectrum breder geworden. Het bezit van meer dan een nationaliteit wordt bejegend als ‘schijn des kwaads’, terwijl beide nationaliteiten toch wettig zijn verkregen. Bewijzen van het ‘kwaad’ worden niet geleverd. Dat riekt naar vooroordeel. Als het op ‘verantwoordelijkheid’ aankomt is het niet moeilijk aan te geven waar de tekorten liggen.

Jan van Putten was tot 1990 hoogleraar politicologie aan de Vrije Universiteit.

Lees Scheffers stuk na op www.nrc.nl/opinie