Verbreed discussie over dubbele nationaliteit

Dat PvdA-senator Van Thijn zijn stem verheft tegen Geert Wilders siert hem (NRC Handelsblad, 28 maart), maar het is jammer dat hij hierbij een vergelijking maakt met het antisemitisme en met de joodse politici die in de vorige eeuw ”stelselmatig verdacht werden gemaakt”.

Deze vergelijking is slechts terecht voorzover men de discussie beperkt tot geloof en religie (bijv. de islam), maar zij is niet terecht wanneer deze gaat over nationaliteiten.

Ik mag aannemen dat Walther Rathenau (toenmalige Duitse minister van Buitenlandse Zaken) slechts over één paspoort beschikte, het Duitse, en werd vermoord vanwege zijn joodse afkomst. De stellingnames van Geert Wilders mogen uiterst verwerpelijk zijn, maar de vraag waar het in het huidige nationaliteitendebat om gaat is in hoeverre bepaalde overheidsfuncties verenigbaar zijn met een dubbele nationaliteit.

Bijvoorbeeld een Nederlandse minister van Buitenlandse Zaken met een tweede nationaliteit (ongeacht welke), of een Nederlandse minister-president met tevens de Duitse nationaliteit? Zijn er grenzen aan het hebben van een dubbele nationaliteit, en zo ja: waar behoren die dan te liggen? Bij de rechtspraak? Bij de krijgsmacht? Of bij de regering?

Deze staatsrechtelijke vraag lijkt mij alleszins redelijk, en verdient meer discussie dan de racistisch en populistisch getinte stellingname van Geert Wilders.