Suyrysyn

Nederland heeft verschillende zeehelden gekend, maar geen is er zo vereerd als Michiel de Ruyter. Het verhaal van zijn leven is bekend: geboren in Vlissingen, wilde niet deugen op school, werd touwslagersknecht, al op zijn elfde naar zee, maakte snel carrière, ging op zijn 45ste met pensioen, werd teruggeroepen vanwege oorlogsdreiging, en diende toen nog 24 jaar, waarin hij de Engelsen maar liefst drie keer versloeg en de redder van het vaderland werd.

De Ruyter is niet alleen grondig geëerd – met boeken, standbeelden, straatnamen, liedjes, postzegels en bankbiljetten –, zijn leven en werk zijn ook buitengewoon goed bestudeerd. Er bestaan zelfs enkele taalkundige studies over hem, van de hand van Leendert Koelmans.

Koelmans heeft zich ruim veertig (!) jaar met het taalgebruik van De Ruyter beziggehouden. In 1959 promoveerde hij op een studie getiteld Teken en klank bij Michiel de Ruyter. Toen kondigde hij al aan dat dit het eerste deel van een drieluik was. Het tweede deel, dat pas in 1997 volgde, is getiteld Zeemans lexicon: woord en woordbetekenis bij Michiel de Ruyter. In 2001 werd het drieluik voltooid met Het Nederlands van Michiel de Ruyter: morfologie, woordvorming, syntaxis.

Hoe heeft Koelmans zijn onderzoek aangepakt? Hij heeft een zeer nauwkeurige inventarisatie gemaakt van de teksten van De Ruyter die in handschrift zijn overgeleverd, te weten 36 scheepsjournalen en enkele tientallen brieven uit de periode 1633-1676 – in totaal zo’n 1.900 pagina’s tekst. Terecht wijst Koelmans erop dat dergelijke handschriften een veel getrouwer beeld van het Nederlands geven dan gedrukte bronnen uit die tijd. Drukkers standaardiseerden teksten, en poetsten daarmee lokale en regionale verschillen weg die in handschriften wél te vinden zijn.

De Ruyter, die al vroeg van school was gegaan, schreef ontzettend slordig. Hij gebruikte nauwelijks hoofdletters en vrijwel geen leestekens, hij schreef letters en woorddelen vaak los van elkaar, hij liet geregeld woorden weg of kortte ze in, zijn langere zinnen ontspoorden altijd en zijn spelling was een zootje. Overigens was dat laatste indertijd zeer gebruikelijk: men probeerde in de spelling de uitspraak te benaderen, maar omdat er toen nog grote regionale verschillen in uitspraak waren, was eenheid in spelling ver te zoeken. Zo vond De Ruyter dat chirurgijn klonk als suyrysyn of surysyn, en daarom schreef hij dit zo op.

Aan de teksten van De Ruyter kun je zien dat hij uit Zeeland kwam – exacter, dat zijn taal was beïnvloed door de zuidwestelijke en zuidelijke dialecten. Zo twijfelde hij zijn leven lang of hij ergens een h moest schrijven of niet. In 1655 en 1666 schreef hij bijvoorbeeld „de hoost”, om vervolgens de h door te strepen, zodat er oost kwam te staan. In plaats van dat ze schreef de admiraal dasse (voor Zeeuwen goed te begrijpen), en mijn sloep werd men saloep – je begint te begrijpen waarom Koelmans een half leven nodig heeft gehad om dit alles te analyseren.

De Ruyter had een afkeer van onnodig vertoon, maar toch maakte hij zich het ‘ambtelijk Bargoens’ al snel eigen, stelt Koelmans. De Ruyter besluit niet, hij resolveert, hij besogneert en veraccordeert overeenkomsten – precies zoals het indertijd onder hoge ambtenaren gebruikelijk was.

Ook deed hij z’n best om in brieven aan hooggeplaatste personen de juiste titulatuur te gebruiken. Overigens was dat verstandig, want sommige overheidspersonen weigerden indertijd een brief aan te nemen wanneer in de aanhef de juiste aanspreektitel ontbrak.

Ewoud Sanders

Reacties via www.nrc.nl/woordhoek