Opstanding, elk jaar weer

Paastijd en alles doet mee. Struiken verrijzen uit de dood, nieuw leven steekt bloeiend de kop op, in de wei de lammetjes op hun houten pootjes, in de kamer zingt iemand: „Waar zullen wij het paaslam eten?”, en terwijl koren weeklachten aanheffen over de vermoorde onschuld, oefent de merel een lentetrillertje en tikt een koolmees voorzichtig tegen een nestkastje, om te zien of het vrij is.

Opstanding, opnieuw, elk jaar weer. Pasen is zo slim gepland dat het niet moeilijk is om eraan mee te doen, zelfs niet voor wie niet gelooft. Want waar moet je in geloven als je gewoon voor ogen ziet dat er wederopstanding plaatsvindt? Niets symbolisch aan. En ook minder letterlijk weet je dat we in staat zijn om doden te sterven en toch weer op te staan. En dat je kunt spreken in een andere taal, liturgische taal, geloofstaal, vergelijkbaar met de zoete onzinwoordjes die geliefden elkaar toe fluisteren, giechelend, lachend en die betekenis hebben en geloof uitdrukken in ‘altijd’ en ‘nooit’.

Toch is er wat. Dit jaar klinkt Jezus meer dan ooit als de zoon. Hij ís de zoon, dat weet ik wel, altijd geweest, maar je hoort nu eenmaal niet elk jaar hetzelfde. Dit jaar klinkt hij nogal als een kind dat om zijn vader roept.

Waarom heeft het christendom iemand centraal staan die zó moeilijk kan sterven? Waarom geeft hij ons geen ander voorbeeld, niet een van paniek: „Laat deze kelk aan mij voorbijgaan”, niet een van wanhoop: „Waarom heeft u mij verlaten?” maar een van wijsheid en kalmte? Het zou fijn zijn als hij die ene zin: „Niet zoals ik wil, maar zoals u wilt” eens wat krachtiger leefde, dat we die niet steeds terug moeten zoeken om tegenover zijn paniek te stellen.

Hij is zo omdat hij een mens is. Hij is de zoon. Niet de vader. Alle mensen zijn zonen en dochters – „Kom dochters, help mij klagen.” En alle mensen kijken naar hun ouders en willen goedkeuring, aanwezigheid, troost, liefde, ze willen allemaal kinderachtig steeds weer horen: bravo jongens, heel goed gedaan, papa is tevreden en mama is thuis en alles komt goed.

Eeuwig stom trouwens van de protestanten om Maria er min of meer uit te gooien. Ineens een onvolledig gezin in de godenwereld, een moederloze jongen, en moederloze gelovigen. Terwijl het zonder zachtheid, bemiddeling, een glimlach nogal moeilijk gaat.

Van de zoon zie je nooit eens een glimlach, wat ook raar is, nog nooit op enig schilderij een glimlachende Jezus gezien, hooguit als klein kindje en ook dan is hij uiterst spaarzaam met zoiets als beminnelijkheid. Om van vrolijkheid maar niet te spreken. Als je vrolijk bent en gelukkig heb je zeker geen geloof nodig. En als je er ellendig aan toe bent, dan hoor je iemand roepen: „Waarom hebt u mij verlaten?” Een kind.

Toen mijn oma, ver in de tachtig, in het ziekenhuis lag, niet aan het sterven dachten we, dacht zij, sprak ze steeds over vroeger, over haar vader, haar moeder. Ze haalde geen herinneringen op aan haar dochters, maar aan zichzelf als dochter. We zijn veel dieper kinderen van onze ouders dan ouders van onze kinderen, al weegt dat laatste ook niet weinig.

Bepaald ben je niet door wat je nalaat en schept, maar door wat je vormde: je kinderdromen, het licht door de kaboutergordijnen, de onredelijke uitval van je moeder, de gedachten ’s nachts in bed, de eisen van je vader, de verveling van zomermiddagen, muziek in de huiskamer – al je voorstellingen van hoe het leven eruit ziet, kan zien, moet zien, niet mag zien, komen daarvandaan. Zelfs al heel oude zonen zijn nog teleurgesteld over hun vaders die geen aandacht hadden of hebben, oude dochters nog trots op de vader die wist te leven.

Misschien dus toch niet zo raar, die zoon. Want stel je voor dat er alleen maar een vader was, almachtig, wat moest je dan met je teleurstelling, je protest, je ongeluk? Job klaagde aan, maar hij kreeg er van paps enorm van langs: heb jij die aarde soms gemaakt? „Waar is de weg naar de oorsprong van het licht, en de plaats van het donker – is die jou bekend […]?”

Job kan niet anders dan buigen: nee, zulke dingen weet hij niet. Het ongeluk is over hem gekomen in overvloedige hoeveelheid, hij begrijpt het niet, hij krijgt geen antwoord van zijn hemelse vader, hij is ziek en ongelukkig en als er dan eindelijk antwoord komt dan zegt dat antwoord: hou je mond. Job mocht dat blijkbaar niet zeggen, dat het niet rechtvaardig was.

Maar die paaszoon, die mag dat wel. Die mag zeggen: vader, moet dat nu zo. Kan ik er niet onderuit. Die mag roepen: je laat me in de steek. En wij mogen dat dus ook, roepen dat het echt niet gaat. Maar uiteindelijk, wordt hij, zo althans vertellen ze ons dat steeds weer, voor zijn lijden beloond, hij is niet dood, dat leek maar zo, hij leeft voor altijd en altijd.

Dat blijft moeilijk. We kennen verder geen doden die niet dood zijn – behalve natuurlijk in onze verhalen, daarin leven ze, en in ons geheugen verandert hun plaats en vinden we, langzaam, niet zo mooi regelmatig als Pasen dat elk jaar weerkomt, vrede, of in ieder geval rust, de graven roepen niet meer, de lente komt niet meer als een aanklacht.

Vooruit dan maar, een altijd levende zoon. Toch zou je willen dat hij meer vrede vond met zijn vader. Niet pas als alles voorbij was, maar eerder, dat hij zich eerder losmaakte, eerder kon zeggen: vader het is goed, ik leid mijn leven, vraag mij niet meer van alles, vertrouw nu maar op uw opvoeding. Zoiets. Maar ja. Zo gaat het niet.

De zoon is natuurlijk ook het leven zelf. Die ene aria uit de Johannes Passion maakt dat zo helder te verstaan, waarin de sopraan zegt dat ze hem zal blijven volgen „mijn leven, mijn licht” en hem vraagt ook zelf aan haar te trekken, haar te vragen om niet af te laten. „Höre nicht auf, selbst an mir zu schieben, zu ziehen, zu bitten.”

Allemaal geloofstaal die heel makkelijk naar buiten komt in de voorjaarszon bij het spitten, wieden, planten, het getjilp van mussen en vinken, de altijd nieuwe roep van de elk jaar weer terugkerende grutto’s, kieviten, scholeksters. Laat ons leven, almaar, ook als we er niet meer zijn. „Höre nicht auf.”