Niet na elk gedicht klappen alsjeblieft!

De Nacht van de Poëzie was zeven uur poëzie luisteren, boekwinkeltjes afstruinen, crêpes eten en vooral lachen. Dichters hadden zelfs moeite het publiek níet te laten lachen.

Het Muziekcentrum Vredenburg was zaterdag uitverkocht tijdens de Nacht van de Poëzie in Utrecht foto Michael Kooren Nederland, Utrecht , Muziek centrum Vredenburg, 27 ste Nacht van de Poezie , voor het laatst in het Muziekcentrum in deze vorm. "de Nacht" verhuis de komende 4 jaar naar een andere lokatie vanwege drastische verbouwingen tot muziekpaleis. Toeschouwers luisteren aandachtig naar de dichters. © foto Michael Kooren. Utrecht Kooren, Michael

Met het strenge gebaar van een dirigent maant dichter Nachoem M. Wijnberg na het voordragen van zijn eerste gedicht het publiek tot stilte. Alsjeblieft niet na elk gedicht klappen, zie je hem denken. Hij kwam op na Joke van Leeuwen, wier laatste voordracht, een door de zaal meegeklapt bluesliedje, een extatisch applaus opwekte.

„Ik probeerde met dat gebaar het publiek weer geconcentreerd te krijgen”, vertelt Wijnberg even later aan een tafeltje in de artiestenfoyer, waar cameramannen en fotografen druk in de weer zijn met het vereeuwigen van drinkende dichters. „Dat lukte volgens mij wel, want ik hoorde een goeie stilte”, zegt de dichter. „Hoe dat klinkt? Dan hoor je de mensen luisteren.”

Wijnberg was de achtste van 22 dichters die zaterdag voordroegen tijdens de jaarlijkse Nacht van de Poëzie in Utrecht. Vlak voor hij op moest hoorde hij van een collega dat het moeilijk was het publiek niet aan het lachen te krijgen. Niet verwonderlijk, aangezien Judith Herzberg, Eus, Al Galidi, Joke van Leeuwen en Hans Dorrestijn allemaal hadden gekozen voor de meest lichtvoetige gedichten uit hun repertoire. De scheiding tussen cabaret en poëzie werd daardoor soms opgeheven in Vredenburg, dat met ruim 2.300 bezoekers tot de nok toe was gevuld. Een deel van hen zat gehurkt op de grond voor het podium bij gebrek aan zitplaatsen.

Rutger Kopland maakte deze avond zijn rentree op het podium. De dichter kreeg eind 2005 een ernstig auto-ongeluk, waarvan hij sindsdien heeft moeten herstellen. Na de inleidende woorden van presentator Piet Piryns, die nog refereerde aan de beroerde tijd die de dichter achter de rug had, kreeg hij een overweldigend warm onthaal. Tot tweemaal toe werd zijn voordracht voortijdig onderbroken door applaus, zoals bij zijn gedicht Over het verlangen naar een sigaret. „Ik vond dat het nog niet af was”, zei de dichter in de microfoon, om alsnog de laatste regels voor te dragen: „Het verlangen naar een sigaret/ is het verlangen zelf.”

In de slagschaduw van een flink aantal gevestigde namen (Kopland, Eva Gerlach, Judith Herzberg, Joke van Leeuwen en Ingmar Heytze) maakten twee nieuwkomers hun opwachting. Dat van hen beiden de debuutbundel nog moet verschijnen is meteen ook de enige overeenkomst tussen de Amsterdammer Eus en de Vlaming David van Reybrouck. De laatste liet zich gelden als een belofte met zijn in sprankelende beelden gevatte gedichten en voorbeeldige voordracht. De beschonken slam-dichter Eus daarentegen was nauwelijks te verstaan en leek met zijn Johnny van Doornimitatie alleen zichzelf te vermaken. De door co-presentator Menno Wigman als „misantropische bierpiraat” aangeduide dichter maakte zichzelf later op de avond belachelijk door de voordrachten van Hans Verhagen en Hans Dorrestijn te verstoren met dronkemansgelal. Rond een uur of een werd hij de zaal uitgezet.

De komende vier jaar wordt De Nacht van de Poëzie niet meer in het vertrouwde Vredenburg gehouden. Het theater gaat op de schop om in 2012 geheel gerenoveerd weer plek te bieden aan het poëziefestival. Tot die tijd wijkt het festival uit naar twee dependances.

De Nacht stond ook in het teken van een tweede afscheid: het vertrek van programmeur Anneke van Dijk. Sinds de eerste editie is zij de drijvende kracht achter het festival geweest. Op het podium nam ze een bos bloemen in ontvangst. Ook werd de gratis verspreide poëziebundel – waarin van elke deelnemende dichter een gedicht is opgenomen – aan haar opgedragen.

Het festival duurde tot in de late uurtjes. Na zeven uur poëzie luisteren, boekwinkeltjes afstruinen en crêpes eten, kon wonderbaarlijk genoeg een aanzienlijk deel van het nog overgebleven publiek de energie opbrengen om een dansje te wagen op de opzwepende mix van oosterse klanken en folk-blues van de band No-blues. Het was vier uur toen de dichter Alexis de Roode de slotregel van zijn laatste gedicht voordroeg, een toepasselijke lofzang op de zon, die snel genoeg zou opkomen: „de zon is onze blinde vader.”