Japans nationalisme herleeft

Anders dan Duitsland heeft Japan eigenlijk nooit zijn verantwoordelijkheid voor de oorlog onder ogen gezien, meent

Francis Fukuyama.

Amper een half jaar is Shinzo Abe premier van Japan of hij wekt al de woede van half Azië en roept gemengde gevoelens op bij de belangrijkste bondgenoot van zijn land, de Verenigde Staten. Maar zal de regering-Bush haar invloed aanwenden om Abe van opruiend gedrag te weerhouden?

Abes voorganger, Junichiro Koizumi, was een baanbrekende leider, die de economie van Japan deed herleven en de bezem haalde door het factiesysteem van de al zo lang regerende Liberale Democratische Partij. Maar hij legitimeerde ook een nieuw Japans nationalisme en wekte met zijn jaarlijkse bezoeken aan het Yasukuni-heiligdom de ergernis van China en Zuid-Korea. Abe is zo mogelijk nog meer uit op een assertief Japan dat elke schuld afwijst.

Iedereen die denkt dat de controverse over Yasukuni een duistere historische kwestie is die de Chinezen en Koreanen gebruiken om politieke munt te slaan uit kritiek op Japan, is vermoedelijk nooit lang in die contreien geweest. Het probleem is niet de 12 oorlogsmisdadigers die in het heiligdom zijn bijgezet; het echte probleem is het legermuseum Yushukan ernaast.

Wie langs de tanks en machinegeweren loopt die in het museum worden tentoongesteld, ziet een geschiedenis van de Oorlog in de Stille Oceaan die de ‘waarheid van de moderne Japanse Geschiedenis’ herstelt. Het is het nationalistische verhaal dat wordt gevolgd: Japan, slachtoffer van de Europese koloniale mogendheden, wilde alleen maar de rest van Azië tegen hen beschermen. De koloniale bezetting van Korea door Japan wordt bijvoorbeeld omschreven als ‘bondgenootschap’; we zoeken tevergeefs naar enige informatie over de slachtoffers van het Japanse militarisme in Nanking of Manila.

Misschien is het museum te verdedigen als een van de vele gezichtspunten in een pluralistische democratie. Maar er is geen ander museum in Japan dat een alternatieve kijk biedt op de twintigste-eeuwse geschiedenis van Japan. En Japanse regeringen hebben zich telkens weer verscholen achter het feit dat het Yushukan-museum in handen is van een particuliere godsdienstige organisatie en daarmee de verantwoordelijkheid voor de opvattingen die daar worden uitgedragen van zich afgeschoven.

Dat overtuigt niet. Anders dan Duitsland heeft Japan eigenlijk nooit zijn eigen verantwoordelijkheid voor de oorlog onder ogen gezien. Weliswaar heeft de socialistische premier Tomiichi Murayama zich in 1995 officieel voor de oorlog verontschuldigd tegenover China, maar intern heeft Japan nooit een echt debat gevoerd over de mate van zijn verantwoordelijkheid en nooit een serieuze poging gedaan om een andere lezing dan die van Yushukan uit te dragen.

Mijn kennismaking met rechts Japan had plaats begin jaren negentig, toen ik in Japan een paar maal in een forum zat met Watanabe Soichi, die door mijn Japanse uitgever (buiten mijn medeweten) was uitgekozen om mijn boek Het einde van de geschiedenis en de laatste mens in het Japans te vertalen. De hoogleraar Watanabe was een medewerker van Shintaro Ishihara, de nationalistische politicus die Het Japan dat geen nee kan zeggen schreef en die nu gouverneur van Tokio is.

In de loop van enkele ontmoetingen hoorde ik hem aan grote scharen toehoorders uitleggen dat de bevolking van Mantsjoerije tranen in de ogen had toen het Kwantung-bezettingsleger uit China vertrok, zo dankbaar waren ze Japan. Volgens Watanabe was de oorlog in de Pacific een rassenkwestie, omdat de VS vastbesloten waren een niet-blanke bevolking eronder te houden. Watanabe is daarmee het equivalent van een holocaustontkenner, maar anders dan zijn Duitse tegenhangers trekt hij met gemak een groot en welwillend publiek. (Ik krijg geregeld boeken toegestuurd waarin Japanse schrijvers ‘uitleggen’ dat het bloedbad van Nanking een groot verzinsel was.)

Daarnaast zijn er verontrustende incidenten geweest waarbij nationalisten fysieke intimidatie hebben gebruikt tegen critici van de bezoeken van Koizumi aan Yasukuni, zoals de brandbomaanslag op het huis van voormalig kandidaat-premier Kato Koichi.

De VS zijn zo in een moeilijke positie beland. Een aantal Amerikaanse strategen is er op uit China te omringen met een verdedigingslinie à la de NAVO en wil daartoe het Amerikaans-Japanse veiligheidsverdrag uitbouwen. Al sinds de laatste dagen van de Koude Oorlog dringen de VS aan op een Japanse herbewapening, en ze hebben officieel hun steun verleend aan een voorgenomen herziening van artikel 9 van de naoorlogse grondwet, die Japan verbiedt een leger te hebben of oorlog te voeren. Maar Amerika kan beter voorzichtig zijn met zijn wensen. De legitimiteit van de hele Amerikaanse militaire positie in het Verre Oosten berust op de Amerikaanse uitoefening van de soevereine zelfverdedigingstaak van Japan. Tegen de achtergrond van het nieuwe Japanse nationalisme zou een eenzijdige herziening van artikel 9 Japan vrijwel isoleren van heel Azië.

Herziening van artikel 9 staat al heel lang op Abes agenda, maar of hij door zal zetten hangt voor een groot deel af van het soort advies dat hij van goede vrienden in de VS krijgt. President Bush was niet bereid iets over het nieuwe Japanse nationalisme tegen zijn ‘goede vriend Junichiro’ te zeggen uit dankbaarheid voor de Japanse steun in Irak. Nu Japan zijn kleine troepencontingent heeft teruggetrokken, zal Bush tegen Abe misschien geen blad meer voor de mond nemen.

De Amerikaanse politicoloog Francis Fukuyama is verbonden aan de Johns Hopkins University. Hij werd vooral bekend door zijn boek The End of History and the Last Man (1992). © Project Syndicate