Invaller Jaap van Zweden voortreffelijk in de Matinee

Concert: Radio Filharmonisch Orkest o.l.v. Jaap van Zweden. Gehoord: 31/3 Concertgebouw, Amsterdam. Radio 4: 3/4 20.00.

‘Sum fluxae pretium spei’. Als componisten, zeker wanneer ze op leeftijd komen, hun werk met Latijnse titels tooien, betekent dat meestal niet dat ze de toekomst vrolijk tegemoet zien. ‘Ik ben de prijs van de voorbijsnellende hoop’,luidt in het Nederlands de naam van Elliott Carters orkestwerk, dat zaterdag zijn Nederlandse première beleefde in de Matinee.

Onlangs begon Carters uitgever met een publiciteitsoffensief, want volgend jaar viert de componist, nog altijd productief, zijn honderdste verjaardag. Toen Carter in 1993 aan de Symphonia begon, liep hij dus al tegen de negentig. Hij was bang het einde van zijn symfonie niet meer te halen. Hij vergiste zich deerlijk, want hij voltooide de Symphonia in 1996, en componeerde hierna onder meer nog de opera What next? en het Asko Concerto.

De vergankelijkheid werd niettemin het ‘onderwerp’ van de compositie, die haast als muzikale ‘vanitas’ kan worden beschouwd. Al wordt dat eigenlijk pas in de allerlaatste noten echt duidelijk, als het omvangrijke, veelzijdige en woelige werk plotseling oplost in een hulpeloos gebaar, en uiteindelijk in één aangehouden piccolotoon. Als een vraagteken. Of als de spattende zeepbel die Carter naar verluidt voor ogen stond toen hij het werk componeerde.

Hiervoor klinkt een werk vol grauwe, dreigende klanken, door Carter aaneengesmeed tot een ingenieus organisch geheel dat in een constante flux is: er gebeuren steeds talloze dingen tegelijk, waarvan nu de één, dan weer de ander wat meer op de voorgrond treedt.

De muziek was eigenlijk geknipt voor dirigent Jaap van Zweden, omdat ze zo bij zijn dirigeerstijl past: onstuimig, met grote contrasten in structuur en dynamiek. Van Zweden viel op het laatste moment in voor de zieke Ingo Metzmacher, veel meer een moderne muziek-specialist.

Van Zweden – Beethovenspecialist bij uitstek – zorgde voor een voortreffelijke uitvoering van Beethovens Derde symfonie ‘Eroica’, met zijn kenmerkende hoge tempi, een energie waar je steil van achteroverslaat, maar vooral een heldere en doortastende visie.

In de tutti was de balans niet ideaal – de grote, moderne strijkersgroep overstemde het geheel. Toch droegen vooral de houtblazers er in belangrijke mate aan bij dat de ‘Marcia funèbre’ klonk met een zeldzaam ontroerende schoonheid. Maar wat uiteindelijk overheerste was toch de innerlijke vreugde, het optimisme, de pure levenslust van de ‘Finale’.