Het slagersmeisje

Vanuit de woning van Theo Bos keek ik naar buiten. Ik had uitzicht op een rustig winkelstraatje. Het was de nazomer van 2006, ik moest de baanrenner interviewen voor het wielertijdschrift De Muur. Hij stond in zijn hypermoderne keuken te zweten op een kopje koffie.

Oploskoffie. Alles moet snel in het leven van Theo Bos.

Aan de overkant van de straat las ik ‘culinair slager’ op de pui. Theo kwam daar drie, vier keer per week, altijd met dezelfde bestelling voor het Alkmaarse slagersmeisje: biefstuk van de haas, ongeveer driehonderd gram. Het meisje had geen flauw benul wie die trouwe vleeseter was.

Wat doet een slagersmeisje op zondagmiddag? Ze slaapt lekker uit, neemt een bad en smeert crème uit een chic potje op haar handen die de hele week het rauwe vlees moeten draaien en keren.

Het laatste wat ze zou doen, vermoed ik, is de vrije middag opofferen aan sport kijken op televisie. Maar, half zeven is geen middag meer, dus wie weet, maakte het slagersmeisje op dat tijdstip het liveverslag mee van de WK wielrennen vanuit Palma de Mallorca.

Ze had Theo Bos kunnen zien zitten op zijn dure fiets, het voorwiel tegen de startstreep gedrukt. Bos deed een aantal seconden zijn ogen dicht. Waar waren de gedachten van de regerend wereldkampioen? Dacht hij aan zijn familie op de tribune? Aan zijn tegenstander Gregory Baugé? Of aan een dampende biefstuk op zijn bord?

De afgelopen weken was de statuur van Theo Bos weer veelvuldig vergeleken met een jachtluipaard. Het is maar net wat je wilt zien. Zo aan de start, met zijn ogen dicht, kon het ook een snorrende poes op de schort van een wasvrouw zijn.

Een paar seconden voor de start haalde hij diep adem. De slaapogen veranderden in vuurbollen. Het fluitje klonk. De twee baanrenners vertrokken. Als Bos twee heats won, was hij wereldkampioen.

‘Bos op de Côte d’Azur’, zei de commentator. Het is de benaming van de smalle lichtblauwe strook aan de onderkant van de baan. Het deed vermoeden dat Bos in een klein zwembroekje aan de Franse Rivièra volkomen ontspannen in een stripboek lag te lezen. Niets was minder waar, elke vezel van de fietsende Bos stond gespannen.

Wat is het toch een zenuwensport om te zien. Ik kon bijna niet stil blijven zitten. In een kleine bioscoop in Rotterdam werd vroeger regelmatig een man verwijderd, die bij spannende scènes van zijn stoel opstond en de acteurs op het doek wilde waarschuwen met een snoeihard: ‘Kijk uit, achter je!’ Dat had ik Bos ook wel willen toeschreeuwen.

Mijn hulp was niet nodig. Bos werd op superieure wijze wereldkampioen. ‘Het ging heel hard, heel simpel. Maar eigenlijk is het heel lastig’, vertelde hij, kort na de winst. Zo zag de sport er ook uit; lastig en simpel.

Theo Bos mag een weekje uitbuiken. Ik zou het wel weten. Bij thuiskomst in Alkmaar met een rammelende maag naar de overkant hollen, het slagersmeisje lief aankijken tot ze je herkent, om vervolgens met een gratis pondje biefstuk de slagerij uit te lopen.

Thuis een blokje roomboter in de pan, biefstuk dichtschroeien, en dan het rode vlees - vooruit, nog één keer de vergelijking - als een jachtluipaard naar binnen slurpen. En daarna, met de vermoeide benen omhoog, voldaan in slaap vallen op de bank.

Theo Bos heeft het verdiend.