Europese ministers maken zich los

Strippende Europese ministers van Buitenlandse Zaken. Het begon afgelopen vrijdag in het Duitse Bremen met de in fel oranje overhemd gestoken Luxemburger Jean Asselborn. Als ministers van de Europese Unie hadden ze toch een informele bijeenkomst, zei Asselborn bij binnenkomst. Dan was de formele das niet noodzakelijk en dus ging het knellende ding af.

De nieuwe Nederlandse minister van Buitenlandse Zaken, Maxime Verhagen, die sinds zijn intensieve contacten met Wouter Bos tijdens de kabinetsformatie nieuwe stijl alles weet van ‘openboordpolitiek’, wilde niet achterblijven. Hij stelde voor om van de Luxemburgse verzetsdaad een Benelux-initiatief te maken. Dus af gingen zijn das en die van de Belg Karel de Gught.

Toen waren ook de anderen niet meer te houden. Op een enkele minister uit een van de jongere lidstaten uit Midden-Europa na, ontstrikte iedereen zich, inclusief EU-buitenlandcoördinator Javier Solana.

Het deed enkelen terugdenken aan vroeger tijden, toen de halfjaarlijkse informele bijeenkomsten nog echt praatjes om de haard waren. In het Duitse Gymnich was het in 1974 met de toen nog maar uit negen landen bestaande Europese Unie begonnen. Maar van dat informele is nog maar weinig over. Van sessies waar zonder dwingende agenda’s in alle vrijblijvendheid over Europa en de wereld kan worden gefilosofeerd is al lang geen sprake meer. Met zijn negenen een boom opzetten kan nog wel, maar met een gezelschap dat inclusief vertegenwoordigers uit de kandidaat-lidstaten al snel uit een kleine dertig personen bestaat, is dat onmogelijk.

De informele bijeenkomsten zijn honderden journalisten trekkende minitoppen geworden, compleet met de daarbij horende, het openbare leven ontregelende beveiligingmaatregelen. Toegegeven, er vindt geen formele besluitvorming plaats. Maar, zoals een diplomaat onlangs cynisch opmerkte, dat is als het over échte onderwerpen gaat bij gewone vergaderingen van de ministers van Buitenlandse Zaken ook nauwelijks nog het geval.

Mark Kranenburg