Door rood

Het gebeurde op een dag dat de gemeente Amsterdam, waakzaam als altijd, tijdens de restauratie van de Westerkerk een stukje Prinsengracht had afgezet.

Ik naderde de kerk over de brug vanuit de Rozengracht en voegde me bij een groepje mensen dat voor het zebrapad stond te wachten tot het licht op groen sprong. Onder hen bevonden zich ook twee politieagenten, de een piepjong, de ander hooguit een jaar of tien ouder. Ik keek naar links en zag dat de weg daar met hekken afgesloten was. Het wachten had dus geen enkele zin, want er was geen doorgaand verkeer mogelijk. We zouden hooguit getroffen kunnen worden door een of andere verdwaalde Holleeder-kogel, maar dat kan je in Amsterdam altijd overkomen.

We stonden alleen maar te wachten omdat de stoplichten trouw hun nu overbodige werk deden én omdat die politieagenten er stonden. Mij verveelde de situatie overigens in het geheel niet, want aan de hedendaagse politieagent valt veel te zien. Wat er alleen al om die heupen danst: holsters, pistolen, mobiele telefoons, boeien. Je zou in zo’n stad toch nooit meer een brave juwelier durven overvallen?

Helaas werd onze rust onbarmhartig verstoord door een tenger dametje van tamelijk hoge leeftijd, dat naast ons kwam staan, de situatie snel overzag – en dwars door rood naar de overkant crosste. Wij keken haar verbouwereerd na. Die durfde!

De agenten hadden even tijd nodig om van de schok te herstellen. Toen kwam de jongste agent in actie. Hij snelde ook door rood en riep de vrouw achterna: „U loopt door rood.”

Zij keek verwonderd achterom. Begrijpelijk, want de boodschap van de agent had geen opvallend nieuws bevat. De agent trok een spurtje en bleef voor haar staan.

„Dat weet ik ook wel”, zei zij, „maar er kwam toch niks aan?”

„Het is evengoed gevaarlijk”, zei de agent fel.

„Er kon daar geeneens iets doorrijden.”

„Bovendien zet u ons voor gek.”

Het belangrijkste argument was uit de verongelijkte politiemouw gekropen – geen boei die het kon tegenhouden. De vrouw keek hem verbaasd aan. „Dat was helemaal niet mijn bedoeling”, zei ze.

„U ziet toch dat wij daar staan”, zei de agent.

Achter hem naderde zijn collega, met weifelende, mogelijk bezorgde stap. Ook de andere voetgangers liepen op het tafereeltje af. Het licht was op groen gesprongen – we mochten.

„Ik weet toch niet waar u op staat te wachten?” zei de vrouw. „Ik vond het niet nodig.”

De piepjonge agent besefte dat zijn prille autoriteit op het spel stond. Wat te doen? Hij kon zich er met een meewarig lachje vanaf maken, maar dat zou bij publiek en collega slecht kunnen vallen. Een genadelozer aanpak had echter ook evidente nadelen. Die vrouw kon zijn grootmoeder zijn, en met grootmoeders ga je behoedzaam om.

„Eigenlijk zou ik hiervoor een bon moeten uitschrijven”, zei hij, „maar ik zal het voor deze keer bij een waarschuwing laten. Nooit meer door rood lopen!”

Opgelucht gingen wij allen uiteen. Ik keek het tengere dametje nog even na. Dertig meter verderop zag ik dat zij bijna geschept werd door een fietser die door rood reed. Maar fietsers mogen dat in Amsterdam, dat had ze moeten weten.