Inkijkje in Amerikaanse voedselgruwel

waffle.jpgSinds ik in Amerika woon (september 2005), heb ik wat door de VS gereisd. Van Louisiana naar Maryland, van Texas naar Minnesota (et cetera). Als ik een stad achter laat en door het achterland rijd, probeer ik altijd even een Waffle House mee te pakken. Zoals sommige Nederlanders aan geen Van der Valk voorbij kunnen gaan, heb ik dat met deze keten.

Er zijn meer dan 1.500 Waffle House-vestigingen, met name in het zuiden van het land. Ze staan bekend om hun wafels, natuurlijk, maar meer nog om het feit dat ze altijd open zijn, om het chronisch onderbetalen van hun mensen (dit is het type werknemer dat voor een paar dollar per uur werkt en het dus echt van de fooi moet hebben) en om hun ranzigheid.

En om hun arme klanten. Altijd even tellen hoeveel wapens je verstopt ziet onder houthakkershemden, hoeveel pick-up-trucks buiten staan, hoeveel bumperstickers verwijzen naar 9/11. Sommigen noemen dit ‘Bush-country’, anderen ‘fly-over-land’ - maar het is net zo goed Amerika zoals New York of L.A. dat zijn. Twee jaar geleden werden nog rechtszaken aangespannen in vier verschillende staten omdat personeelsleden weigerden zwarten te bedienen.

De vooruitgang gaat soms aan Waffle House voorbij: pas sinds vorig jaar kan je er met pinpas of credit card betalen. (Bij de vestiging die ik vorige week in Florida bezocht was het ‘cash-only’. De helft van het personeel was zwart, de andere Latino.)

Mijn serveerster was zo aardig me haar bestelbon mee te geven. Onderaan wat ze moet doen en hoe lang ze daarvoor heeft. De ’20 minute magic’ (sic) schrijft voor dat ik binnen twintig minuten weer buiten moet staan. Inclusief de ’9 tot 11 minuten’ die ik nodig schijn te hebben om te eten. En de ’10 tot 30 seconden’ die de serveerster heeft voor de ‘greet/beat to the seat’.

wafflehousbon.jpg