Veel schouwburgen hebben helemaal niets met kunst

`De lege zaal heeft altijd gelijk`, kopte NRC Handelsblad op 16 maart: het gesubsidieerde, kwetsbare kunsttheater zit in Nederland in de verdrukking. Er zijn namelijk te veel groepjes theater aan het maken, terwijl het gesubsidieerde toneel nog maar 15 procent van het aanbod in de Nederlandse theaters uitmaakt.

Hoe anders is de praktijk. Zelfs schouwburgvereniging VSCD erkent dat een ruime meerderheid van de Nederlandse schouwburgen artistiek en financieel niet toegerust is om `serieus` kunsttheater te brengen. Een gebouw als De Reehorst in Ede of `t Spant in Bussum wil ook helemaal geen serieus kunsttheater brengen. Men beschikt niet over budget, noch over personeel dat weet wat dat is: kunsttoneel. In die zalen heeft Toneelgroep Amsterdam niets te zoeken. Niemand zou dat ook moeten willen.

Slechts een kleine 20 procent van de Nederlandse schouwburgen en theaters is in staat tot het brengen van serieus gesubsidieerd toneel. De Amsterdamse Schouwburg bijvoorbeeld, maar ook de Schouwburg in Winterswijk. Het programma van die theaters bestaat voor een groot deel uit gesubsidieerd kunsttoneel, dat ook heel aardig bezocht wordt. Dat getal relativeert dus die 15 procent.

Conclusie: er zijn niet te veel toneelgroepen en -groepjes. Er zijn wel veel te veel schouwburgen die niets met kunst hebben. Verander 80 procent van die schouwburgen ook in naam in het zalenverhuurcentrum dat ze feitelijk al zijn, en de zogenoemde crisis in het gesubsidieerde toneel is er nooit geweest.