Rotterdam wordt voorgesteld als een afvoerputje

Een van de taken van de journalistiek lijkt mij het bestrijden van mythes. Een van die mythes is dat de grootstedelijke problemen van Rotterdam zo veel groter zijn dan die van Amsterdam. De Maasstad wordt vaak als een soort afvoerputje voorgesteld, zelfs de haven is immers niet meer de grootste van de wereld, terwijl het in Amsterdam allemaal crescendo gaat.

NRC Handelsblad van 26 maart gaf daar in het artikel `Te grote harde kern van kansarmen` een goed voorbeeld van. In dat artikel worden beide steden tegenover elkaar gezet volgens het bovenstaande stramien, daarin enthousiast aangevoerd door PvdA-wethouder Schrijer die zo misschien wat extra subsidiegeld probeert binnen te halen. Het Rotterdamse beeld is als volgt: een kolossale onderklasse, een kleine middenklasse en een vrijwel niet bestaande bovenlaag. Wat zijn nu echter de afgeronde cijfers van het CBS daaromtrent? In Rotterdam heeft 50 procent van de bevolking een laag inkomen (Amsterdam 40), in beide steden omvat de middenklasse 40 procent en het aandeel van de hogere inkomens is in Rotterdam 10 en in Amsterdam 20 procent. Beide steden hebben dus een even grote middenklasse. Het verschil zit vooral in die een op de tien die in Rotterdam een laag inkomen heeft, terwijl zijn of haar tegenvoeter in Amsterdam juist een hoog inkomen heeft. Dat betekent dat als we tien Amsterdammers en tien Rotterdammers naast elkaar zetten, er van die twintig mensen achttien erg op elkaar lijken.

De opmerking dat het verschil tussen de steden blijkt uit het feit dat in Rotterdam één op de drie werknemers in de stad woont en dat in Amsterdam één op één is, begrijp ik helemaal niet. Als forens tussen Leiden en Amsterdam zie ik dagelijks volle treinen heen en weer rijden. De verschillen tussen beide steden zijn dus minder groot dan ons wel eens voorgespiegeld wordt. Ik wil de problemen waar beide steden voor staan niet bagatelliseren, maar aan paniekverhalen heeft niemand iets. Zeker Rotterdammers niet.