Ook Frans ‘on the road’

De EU wil dat leerlingen al op de basisschool twee vreemde talen leren. Het gebeurt nog nauwelijks.Jacqueline Kuijpers

Spannend was het. En leuk. En vooral gek om weer rond te dwalen in de school waar je acht jaar lang dag in dag uit in de bankjes hebt gezeten. Dat vertellen Iris Swanenburg (13) en Emma de Mooij (13), brugklassers op het Visser ’t Hooft Lyceum in Leiden. Ze gingen samen met klasgenoten terug naar hun oude basisschool. En stonden ineens vóór die bankjes, met een flitsend toneelstuk, de ‘Roadshow Vreemde Talen’, waarin ze lieten zien en horen wat ze al hebben geleerd bij Engels en Frans.

Het initiatief voor de Roadshow komt van Marleen Spierings, docente Engels en Communicatie op het Visser ’t Hooft Lyceum. “De leerlingen leren de talen waarmee ze nog maar net zelf hebben kennisgemaakt, te gebruiken. Ze oefenen hun uitspraak en hun presentatie.” De Roadshow is één van de werkvormen die Marleen Spierings heeft ontwikkeld om een brug te slaan tussen basisonderwijs en voortgezet onderwijs. “Het probleem bij Engels is dat je altijd van voren af aan moet beginnen, omdat het niveau van de leerlingen enorm uiteen loopt. Als er meer afstemming zou zijn kun je op een hoger niveau beginnen en beter differentiëren.”

Op het Visser ’t Hooft Lyceum staat internationale communicatie hoog op de agenda. Het is een van twintig ELOS Scholen (Europa Als Leeromgeving op School) in Nederland – ze bestaan in alle EU-landen. Deze scholen zetten zich actief in voor ‘de Europese dimensie’ via uitwisselingstrajecten en tweetalig onderwijs. Dit past helemaal in de trend van de internationalisering van het onderwijs zoals die in Europa gepromoot wordt. In Lissabon (2000) en Barcelona (2002) is afgesproken dat alle basisschoolkinderen in de lidstaten twee vreemde talen zouden moeten leren – Engels (in Nederland sinds 1986 verplicht vanaf groep 7) en bijvoorbeeld Duits of Frans. En er zou een doorgaande leerlijn moeten komen naar het voortgezet onderwijs.

Tot op heden echter krijgen deze afspraken in Nederland nauwelijks gehoor. De meeste basisscholen komen niet verder dan een paar uurtjes Engels per week in de hoogste groepen. Weliswaar is de Wet op het Primair Onderwijs in 2005 aangepast en is het nu toegestaan om Frans of Duits aan te bieden, maar in de praktijk gebeurt dit nauwelijks. Wel heeft het Europees Platform een pilotproject opgezet, LinQ, waarin 40 scholen voor primair en voortgezet onderwijs deelnemen. Het doel daarvan is een model te ontwikkelen voor de invoering van Duits en Frans.

Dat gaat Spierings allemaal te langzaam. “Ik ga leerkrachten van de basisschool bij ons uitnodigen om te laten zien wat wij hier doen. En wij, docenten moderne vreemde talen, gaan kijken welke methodes op de basisschool worden gebruikt.” Zo zet Spierings zelf de eerste stappen op weg naar een doorgaande leerlijn. Ze heeft met een collega bijvoorbeeld ook een aantal digitale lessen Engels en Frans ontwikkeld, die basisschoolleerlingen zelfstandig op de computer kunnen doen, op school of thuis. “Leerkrachten op de basisschool hebben het druk en zitten niet op ons te wachten. Maar waar ze wél erg blij mee zijn is materiaal voor zelfstandig werken.”

Met hetzelfde enthousiasme heeft Spierings zich met haar leerlingen aangemeld voor de Europese ontwerpwedstrijd Springday 2007 (waaraan zij als didactisch adviseur verbonden is). In verband met het 50-jarig bestaan van de EU nemen 6.000 scholen in heel Europa deel aan het netwerk van Springday, waarbij verschillende activiteiten worden georganiseerd. Een daarvan is de wedstrijd ‘ontwerp je eigen ansichtkaart’, waarbij het niet zozeer gaat om het eindproduct als wel om het proces: samenwerking tussen leerlingen uit verschillende landen en/of tussen leerlingen van de basisschool en het voortgezet onderwijs.

Iris en Emma kunnen de internationale oriëntatie van hun docente wel waarderen. Voor Emma, die in verschillende landen op internationale scholen heeft gezeten, is het niets nieuws. Zij spreekt al goed Engels. Maar Iris had wel buikpijn van het idee om bij de Roadshow zomaar Engels, Duits, Frans en zelfs een paar woorden Spaans te moeten zeggen, vertelt ze. Gelukkig viel het erg mee. “De kinderen vonden het allemaal heel leuk, vooral omdat ze zelf ook een rol mochten spelen.” Zelf had Iris bij wijze van spreken nog nooit een brugklasser van dichtbij gezien voor ze op het Visser ’t Hooft Lyceum kwam. En dat vindt ze wel jammer. “Want deze kinderen zien alvast wat je allemaal krijgt op de middelbare en dat het niet zo eng is om Frans of Engels te spreken als je misschien denkt.”

www.springday.nl