Nieuwe lidstaten verspreiden gif binnen de EU

De Europese Unie heeft weloverwogen het risico genomen om in drie jaar tien Midden-Europese staten op te nemen met een aanzienlijk lagere levensstandaard en een heel beperkte democratische traditie. De schokgolven die de toetreding daar teweegbrengt in het politieke bestel en de samenleving, dient zij even nauwgezet te begeleiden als de economische transitie.

Wim Blockmans

Rector van het Netherlands Institute forAdvanced Study te Wassenaar en hoogleraar geschiedenis aan de Universiteit Leiden.

Weinig commentatoren besteden er aandacht aan, maar al maandenlang waart er een spook door Europa. In september vorig jaar werd bekend dat de socialistische premier van Hongarije Gyurcsány had erkend jarenlang ‘dag en nacht’ te hebben gelogen over de economische situatie in zijn land. In ieder democratisch land past bij een publiek schandaal van een dergelijke omvang onverwijld het spontane aftreden van de volksverlakker.

Niet dus in het huidige Hongarije: de premier bleef aan, de president gedoogde dit, en in februari verkreeg hij met 87 procent van de stemmen opnieuw het vertrouwen van zijn partij, de uit de vroegere communistische partij voortgekomen MSzP. Voortdurende massale betogingen van de oppositie, soms gepaard gaande met geweld, hebben het politieke klimaat ernstig gepolariseerd. Rond het parlementsgebouw staat nu al maandenlang een ‘ijzeren gordijn’ van dranghekken. Op de nationale feestdag van 15 maart mobiliseerde de oppositie nog maar eens 200.000 manifestanten en verliet de president zelfs het land.

De Hongaarse situatie staat allerminst op zichzelf. Integendeel, alle grote nieuwe EU-lidstaten kampen met een diepe politieke crisis. Het patroon komt overal neer op instabiliteit met scherpe tegenstellingen tussen twee blokken die de regeringsmacht afwisselend uitoefenen, tot geen enkel compromis bereid zijn, elkaar beledigen, de verhoudingen polariseren en het land in heilloze politieke confrontaties storten.

In Tsjechië bleken de grootste partijen zes maanden lang niet in staat een compromis te sluiten voor de vorming van een regering. Toen die er eenmaal was, verklaarde president Klaus niet te geloven dat deze het lang zou uithouden. Diezelfde president vergeleek onlangs milieubeschermers met communisten.

In Roemenië woedt al maandenlang een constitutionele strijd tussen de president en de premier, waarbij deze laatste samen met de oppositie poogt de president af te laten zetten. Hun beider partijen vormen nochtans de regerende coalitie. De inzet is hier de eis van de EU tijdens de toetredingsonderhandelingen om de wijdverbreide corruptie onder politici te laten onderzoeken. De president en de minister van Justitie, die dit onderzoek ondersteunen, moeten het ontgelden bij de parlementsleden die de vrije hand hebben in hun contacten met het bedrijfsleven omdat het kiesstelsel de kiezer geen invloed geeft op de rangorde van de verkozenen op de lijsten.

In Roemenië speelt, zoals in alle andere Midden-Europese landen, de omgang met het verleden een grote rol in al deze controverses. De Slovaakse katholieke aartsbisschop is ervan beschuldigd van 1972 tot 1989 voor de communistische geheime dienst te hebben gewerkt. Over de Hongaarse kardinaal Paskai, de Poolse aartsbisschop Wielgus en vier andere bisschoppen werden gelijkaardige onthullingen gepubliceerd.

Veel van de huidige politici zien liever hun banden met het vroegere regime niet in de publiciteit komen. Juist de verbetenheid van de politieke verhoudingen leidt ertoe dat tegenstanders elkaar bestoken met beschuldigingen over hun rol onder het communistische bewind. De vroegere socialistische Hongaarse premier Medgyessy moest in 2002 aftreden na publicaties over zijn rol in de communistische geheime dienst. Onder het communisme zag de onderdrukte bevolking in de kerk haar laatste toevlucht, maar nu is ook die zekerheid verdwenen.

Over en weer beschimpen partijen elkaar. De conservatief-katholieke regering-Kaczynski tracht aan te tonen dat in Polen de communisten aan de macht zijn gebleven. Over het Constitutionele Hof, dat zich onafhankelijk en kritisch opstelt, spreekt de regering als een onderdeel van het oud-communistische ‘complot’. Omdat de instorting van het communistische regime in Polen eerder plaatsvond dan in de omringende landen, toen de Sovjet-Unie daar nog 52.000 soldaten gelegerd had, en zij aanvankelijk berustte op een overeenkomst tot machtsdeling met de communisten, kon er jarenlang geen sprake zijn van vervolging. In die periode zijn ten minste 30 procent van de dossiers van de geheime dienst verdwenen.

Nu eist de regering, onder dreiging van een beroepsverbod voor de nalatige directeuren, binnen een maand van 700.000 leden van de rechterlijke macht, academici en journalisten een verklaring over hun eventuele medewerking met het communistische regime. Het moet worden betwijfeld of deze operatie lustracja, openheid, na zestien jaar nog op grote schaal kan worden doorgevoerd zonder heel veel schade aan te richten bij de vele gewone mensen terwijl de grote collaborateurs wellicht voldoende kansen hebben gehad hun dossiers te vernietigen.

Een heksenjacht zoals de huidige Poolse regering nu op touw zet, verscheurt de samenleving en draagt allerminst bij aan een serene overgang naar een open democratie. Overigens is die regering al evenmin een voorbeeld van stabiliteit: in negen maanden stapten vijftien ministers op.

Het past ons westerlingen niet een belerende vinger op te steken naar de politieke leiders van landen die een uiterst problematisch verleden te verwerken hebben, steeds al geleefd hebben in een achterstandspositie ten opzichte van het Westen, en nu nog eens te maken krijgen met een moeizame overgang naar een liberale markteconomie.

Oude zekerheden zijn verdwenen, de dromen van 1989 zijn vaak uitgelopen op teleurstellingen, de contrasten tussen de eclatante rijkdom van enkele handige jongens en de rauwe werkelijkheid voor de grote meerderheid zijn alleen maar groter en zichtbaarder geworden. De pulpprogramma’s uit het Westen die daar nu dankzij de vrije markteconomie op de televisie verschijnen, verscherpen nog eens het bewustzijn van de diepe sociale kloof. Bij alle begrip voor de problemen, blijft toch de zorg bestaan voor de op dit moment in een reeks grotere landen heersende politieke cultuur.

Indien intern een klimaat blijft bestaan van instabiliteit, polarisering, uitsluiting, verkettering, beschimping en beschuldiging, kan niet worden verwacht dat die politieke leiders zich op Europees vlak wel zullen gedragen als voorbeeldige democraten. Er blijkt een schrijnend gebrek aan bestuurlijke deskundigheid en bekwaam politiek leiderschap. De EU vertegenwoordigt een stelsel van waarden zoals tolerantie, respect voor anderen, eerbied voor de rechtsstaat, bereidheid tot pragmatisme en compromis, die het in al zijn lidstaten geëerbiedigd wil zien.

Op economisch vlak stelt de EU heldere voorwaarden en oefent zij een nauwgezette controle uit op de naleving van de richtlijnen. Het zou onjuist zijn indien de EU de ogen zou sluiten voor de heersende politieke cultuur in een reeks Midden-Europese staten. Ook op dit terrein dient zij haar beginselen duidelijk te maken en lidstaten aan te spreken op de toepassing daarvan, wil men de integratie evenwichtig laten verlopen.

De EU leidt in de nieuwe en toekomstige lidstaten rechters op om hen vertrouwd te maken met het ‘acquis communautaire’, het geheel van rechten en plichten dat de lidstaten bindt. Een vergelijkbare inspanning behoort zij te doen om de ontwikkeling naar een goed functionerende democratie te begeleiden.

Het lijkt te simpel om ervan uit te gaan dat de huidige spanningen een kinderziekte zouden zijn die mettertijd vanzelf wel over zal gaan. Ook het tegendeel is immers denkbaar, namelijk dat een vergiftigd en gepolariseerd klimaat het vertrouwen van de bevolking in de politieke leiders en de instellingen zodanig uitholt, dat de weg wordt vrijgemaakt voor populistische of extreem-nationalistische stromingen. Met dergelijke lidstaten wensen wij de EU niet te delen.