Meeteldieren

Onder filosofen leeft niet veel waardering voor het dier, je mag al blij zijn als ze toegeven dat dieren bestaan. Maar heel veel verder gaan de denkers niet. In zijn ijver om aan te tonen dat dieren niet meetellen heeft er laatst een uitgelegd dat dieren geen vakantie houden. De AW-redactie kent ook dieren die niet fietsen en dieren die niet houden van culinaire trammelant: liever elke dag hetzelfde blikje. Anderzijds meent de redactie een hond te kennen die wel eens aan de eindigheid van het leven denkt.

Dieren zijn een beetje dom, denken de filosofen. Met hun dorre neus diep in die dikke boeken kon het ze natuurlijk makkelijk ontgaan dat het inzicht in de dierenpsyche juist de laatste jaren dramatisch veranderde. Uit weldoordachte, maar verder meestal verrassend eenvoudige experimenten is onomstotelijk komen vast te staan dat de dieren om ons heen veel meer weten, zien, begrijpen en beoordelen dan eeuwenlang is aangenomen. Dieren herkennen ons op foto’s, dieren snappen wat wij niet weten kunnen (als er buiten onze aanwezigheid een bal onder de kast rolde, bij voorbeeld) en dieren kijken er vreemd van op als een monitor ons sprekende hoofd laat zien maar een verkeerde stem laat horen. Dat is zijn stem helemaal niet, denken ze dan, dat hebben ze niet goed gemonteerd. In deze krant werden de meeste doorslaggevende experimenten beschreven door Frans van der Helm.

De handicap van veel dieren is dat ze niet zo goed duidelijk kunnen maken wat er in ze omgaat. En dat ze niet zo erg snel kunnen denken, misschien. En niet zo diep en lang achterelkaar als de filosofen kunnen. Maar gun het redeloze dier wat tijd en het komt een heel eind.

De laatste vijfentwintig jaar is er weer opnieuw belangstelling voor de vraag of er dieren zijn die kunnen tellen. Een eeuw geleden had je ‘der kluge Hans’, het paard dat dat inderdaad leek te kunnen maar dat in werkelijkheid goed op Wilhelm von Osten lette. Dat was zijn baas. Toen bleek dat zijn tellen nep was, verdween de belangstelling voor het fenomeen. Maart zoetjesaan komt hij terug.

Wie op internet wil nagaan hoever de wetenschap wat dit betreft is gevorderd moet aan de trefwoorden ‘animals’ en ‘count’ iets toevoegen als ‘psychology’ of ‘cognition’. Langs deze weg belandt men makkelijk in het internetboek ‘Avian visual cognition’ dat een apart hoofdstuk heeft over ‘Bird’s Judgments of Number and Quantity’. Er zit een groot en verraderlijk verschil tussen het schatten van hoeveelheden en het echte ‘tellen’ dat veel hoger wordt aangeslagen.

Je kunt een kauwtje leren pikken op een potdeksel waarop evenveel stippen staan als op een briefje dat er naast ligt. Dat hij dan de hoeveelheden stippen heeft geteld, zoals wij zouden (kunnen) doen, is niet waarschijnlijk. Hij heeft heel precies het totaal geschat. Het kauwtje ziet het verschil tussen vier en vijf stippen, en als het een knap kauwtje is zelfs het verschil tussen vijf en zes. Maar daarmee houdt het op.

De beschreven test heet in jargon een simultane test: de twee groepen getallen waren tegelijk zichtbaar. Het kan ook successief. Het aardigste voorbeeld daarvan is het foppen van vogels bij het bemannen van een vogelhut. Als twee vogelaars samen naar een vogelhut lopen, daar even binnen gaan en dan een van beiden laten terugkeren, denken veel vogels in de omgeving dat de hut nu leeg is. Maar kraaiachtigen niet, ook niet als er drie mannen heen gingen en twee terugliepen. Pas bij vijf heen en vier terug aarzelen ze. Zit er veel tijd tussen het moment waarop de vogelaars de hut in- en weer uitgingen dan gaat natuurlijk ook het geheugen een rol spelen. Die invloed zou je apart moeten onderzoeken.

Op dit soort testen is makkelijk te variëren. Hondenbezitters laten hun hond meestal maar met één bal tegelijk spelen. Maar je kunt ook, zegt Van der Helm, een paar ballen tegelijk weggooien. Gooi je er drie weg dan zal de hond ze alle drie opzoeken en misschien zelfs terugbrengen. Bij vier ook nog wel. Gooi je er vijf weg dan is de kans groot dat de hond er één vergeet. Tenzij de hond aan zijn baasje merken kan dat hij nog niet klaar is met die ballen.

Juist in het leren vermijden van onbedoelde, onbewuste en nauwelijks waarneembare cues zijn de laatste decennia veel vorderingen gemaakt. En in het observeren zelf: lang niet iedereen is voldoende getraind in het kijken om de juiste respons van een dier te kunnen vaststellen. Hoeveel katjes kun je uit een nest jonge katten weghalen voordat de moederpoes vermoedt dat er iets mis is? Eieren uit een nest eendeëieren? Hier wordt het antwoord makkelijk bepaald door de opmerkzaamheid en het observatievermogen van de waarnemer. Wanneer wordt het gedrag van de poes of de eend wezenlijk anders?

Het schatten van dieren doet helemaal niet zo heel veel onder voor dat van de mens. Ook een mens ziet bij aantallen boven de vijf niet snel meer in één oogopslag of groepjes kiezelstenen in grootte verschillen. Tenzij de steentjes in bekende geometrische patronen liggen. Knip wat kleine stukjes papier en neem de proef op de som. Het haperen begint bij ongeveer tien objecten.

Maar zijn er dieren die echt kunnen tellen? De proef die daarop antwoord lijkt te kunnen geven gaat bij apen ongeveer zo: voor de aap wordt een scherm geplaatst en terwijl hij kan blijven toekijken worden daarachter drie of vier vruchten gebracht. Maar zonder dat hij het kan zien wordt er daarvan één stiekem weer verwijderd. Het gaat er dan om vast te stellen of het dier verbaasd is als het scherm wordt weggehaald. Die verbazing wordt gemeten in reactietijd.

Toch staat het nog niet vast of dit wel telonderzoek is. Bij echt tellen wordt elk object apart genoteerd en van een denkbeeldige ‘tag’ voorzien. Ratten en apen lijken in deze definitie maar tot drie te kunnen tellen, maar het onderzoek daarnaar is een heidens karwei omdat ze nu eenmaal non-verbaal zijn.

Dat gebrek heeft Irene Pepperbergs beroemde grijze roodstaart Alex, hier op de foto, niet. In het genoemde hoofdstuk uit dat internetboek valt door te klikken naar een filmpje waarop we Alex moedig horen rekenen aan die schaal met blokjes. Niks niet moeizame interpretatie: Alex zègt het gewoon. Aan filosofen is dat niet besteed.