Mag een rechter in de Eerste Kamer?

Binnenkort wordt de nieuwe Eerste Kamer gekozen. Daarin zullen twee rechters plaatsnemen. Kan dat wel, senator en rechter in één? „Deze combinatie schaadt het aanzien van de politiek.”

Twee weken na de beëindiging van zijn Tweede Kamerlidmaatschap had oud-D66-leider Boris Dittrich zich eigenlijk moeten melden bij de rechtbank. Na een buitengewoon verlof hing de toga weer voor hem klaar.

Meer theorie dan werkelijkheid, zegt Dittrich. Zomaar weer onder het portret van de koningin gaan zitten, is toch niet echt reëel. „Voordat ik ooit weer rechter zou worden, moet het beeld van de politicus-Dittrich een beetje verdampen. Als Kamerlid ben je mede-wetgever en als rechter kom je al die wetten weer tegen. Dat is onwenselijk.”

Het wringt: personen uit de rechterlijke macht die op een of andere manier iets te maken hebben met een van de andere twee pijlers van de trias politica (zie kader). De kern van de trias is immers juist het tegengaan van concentratie van macht. Eigenlijk, vertelt Dittrich, die binnenkort aan de slag gaat bij de mensenrechtenorganisatie Human Rights Watch, is het beter dat je na een Kamerlidmaatschap geen rechter meer wordt. En dat geldt helemaal, vindt hij, voor leden van de Eerste Kamer die tegelijkertijd ook rechter zijn. „Principieel is dat een kwalijke zaak. Ook zij zijn medewetgever. Ook zij zijn betrokken bij het wetgevingsproces.”

Dat moet niet meer kunnen, stelt Dittrich en hij vindt zijn collega oud-rechter en huidig parlementariër Aleid Wolfsen (PvdA) aan zijn zijde. Formeel is het niet verboden, maar ook Wolfsen noemt rechters in de Eerste Kamer ongewenst. „De samenleving hecht steeds meer aan de scheiding der machten. Politici moeten alles op alles zetten om de schijn van belangentegenstelling te voorkomen.”

Toch had ook de PvdA tot juni 2003 nog een actieve rechter in de Senaat, Fré le Poole. Op de website van de Eerste Kamer schreef ze destijds een stukje waarin ze dat verdedigde. „Nuttig”, noemde Le Poole de combinatie van functies, vanwege de kennis over wetgeving en omdat het werk in de Senaat voor een rechter „een breed zicht geeft op achtergrond en samenhang van verschillende ontwikkelingen op wetgevingsgebied”. Kan wel zijn, vindt Wolfsen, maar Le Poole is wat hem betreft de laatste PvdA-rechter in de Eerste Kamer geweest. „Vanuit zuiverheid van wetgeving, uitvoering en controle is de combinatie simpelweg niet wenselijk.” PvdA-senator Willem Witteveen, hoogleraar encyclopedie van de rechtswetenschap in Tilburg, is het daar mee eens. „Je moet iedere schijn van belangenverstrengeling voorkomen.”

Een rondgang langs prominente staatsrechtdeskundigen laat zien dat veel van hen moeite hebben met de combinatie van de twee functies. Zij die het geen probleem vinden noemen soortgelijke argumenten als Le Poole. Douwe-Jan Elzinga, hoogleraar staatsrecht in Groningen wijst erop „dat de Eerste Kamer de kwaliteit van de wetgeving moet bewaken en dat rechters met hun voeten in de modder staan”.

Toch zijn de meeste deskundigen het daar niet mee eens. Paul Bovend’Eert, hoogleraar staatsrecht in Nijmegen, noemt de vereniging van de twee ambten „onbestaanbaar”. De argumenten van Le Poole en Elzinga betitelt hij als „flauwekul”. Bovend’Eert wijst erop dat zowel de Raad voor de Rechtspraak als de Vereniging voor Rechtspraak, als de Raad van State adviesrecht hebben over wetgeving en het dus helemaal niet nodig is dat er rechters voor dát doel in de senaat zouden zitten. „En wat die voeten in de modder betreft: er zijn genoeg andere functies waarin een rechter maatschappelijk actief kan zijn. Eén van de weinige plekken waar je dat juist niet moet doen, is de senaat.”

Rechter zijn én senator: het is niet verboden. In de Grondwet wordt het rechterschap slechts onverenigbaar geacht met het lidmaatschap van de Hoge Raad. „Een vreemd verschijnsel in het Nederlandse staatsrecht”, zegt Bovend’Eert, die dan ook pleit voor een wetswijziging. „De rechter geniet vertrouwen door de kracht van zijn vonnis en de integriteit van het ambt. Als je in een rechtsstaat machtscheiding als uitgangspunt ziet, dan moet je functies onverenigbaar verklaren.” Zijn collega hoogleraar staats- en bestuursrecht Tom Barkhuysen van de Leidse universiteit is het daarmee eens. „Het is een gegroeide traditie, maar dat wil niet zeggen dat je die moet handhaven. Als senator heb je gestemd over wetten die je later als rechter weer tegenkomt. Dat levert spanning op en past niet meer in deze tijd.” Ook Nick Huls, hoogleraar rechtssociologie aan de Erasmus Universiteit, die in het Nederlands Juristenblad met toenmalig senator/rechter Le Poole een felle polemiek voerde, is tegenstander. „Rechters moeten het goede voorbeeld geven en heel zuiver opereren met nevenfuncties. De combinatie rechter en senator kan echt niet en schaadt het aanzien van de politiek.”

Ook binnen de rechterlijke macht zelf is discussie. Vorig jaar, tijdens een symposium over de trias politica, gaf Bert van Delden, voorzitter van de Raad voor de Rechtspraak, al aan dat „een grote meerderheid” geen voorstander is van de dubbelfunctie. En een zware commissie met vertegenwoordigers uit de beroepsvereniging van de rechterlijke macht en enkele rechtbankpresidenten, levert in een concept-advies een kritisch oordeel. „Vertegenwoordigende politieke functies voor rechters moeten ernstig worden ontraden. De hoofdfunctie van rechter brengt dat nu eenmaal mee”, aldus de ‘concept leidraad toelaatbaarheid nevenfuncties’ waarin de lidmaatschappen van Eerste en Tweede Kamer, provinciale staten, gemeenteraden en besturen van waterschappen expliciet worden genoemd. De strenge scheiding, aldus de werkgroep, „heeft alles te maken met het integriteitsbeeld en met het tegengaan van de schijn van partijdigheid. Een geprononceerde politieke functie kan al snel die schijn opwekken en zal in zo’n geval uitstralen op de rechtspraak als geheel.”

De Rotterdamse rechtbankpresident Erik van den Emster, onder wiens voorzitterschap de leidraad werd geschreven, benadrukt dat dit nog een concept is. „Maar het is wel een wezenlijke zaak, waarover we in eigen kring stevig het gesprek moeten aangaan.” Over enkele maanden moet een definitieve versie klaar zijn. Of dat vóór 6 juni is, de dag dat de nieuwe Eerste Kamer wordt geïnstalleerd, mét twee nieuwe rechters, kan hij niet zeggen. „Deze discussie moet zorgvuldig en niet in haast worden gevoerd.”

Lees de concept leidraad op www.nrc.nl/binnenland