‘Ik vraag maar niet of ze ooit een luiaard naar beneden schoten’

Kinderboekenschrijfster Bibi Dumon Tak (42) was afgelopen week op het kinderboekenfestival in Suriname. In Amsterdam woont ze samen met kinderboekenschrijver Jan Paul Schutten. „God mag weten wat hier allemaal rondspookt.”

Bibi Dumon Tak

Vrijdag 23 maart

Vandaag is een aanloopdag. Een dag van gauw nog even dingen doen. Nog even naar de Hema voor schoolkrijt en een reiswekker. Nog even naar de speelgoedwinkel voor honderd zoetgekleurde glitterpennen met vruchtengeur. Nog even hardlopen door het park. Nog even naar de jongens van Athenaeum Polak & Van Gennep waar in de zomer mijn nieuwe boek verschijnt.

We bespreken het omslag. En dan vragen ze alvast om het manuscript, want je kunt nooit weten wat er overzee gebeurt. Alleen het boek is nog niet af. Dus ik twijfel. Maar de jongens van Athenaeum zijn niet zomaar jongens, het zijn toevallig wel Frits en Mark, dus cross ik naar huis en druk zonder herlezen op de sendknop en weg is het onaffe boek.

Veel tijd om daarover na te denken is er niet, want ik moet nog even mijn koffer pakken. Naar De Wereld draait door kijken. En staren naar de kaart van Suriname. En wat ooit ver weg lag, komt steeds dichterbij. Ik zie Klaaskreek. Berg en Dal. Ik zie Wageningen, Groningen en Lelydorp. En ja, diep, diep in het binnenland aan de rivier de Marowijne: Langetabbetje.

Zaterdag

Ik ga met Stichting Culturele Manifestaties NANA mee naar Suriname. Dat is een leesbevorderingsproject voor kinderen. Ze hebben al vijftien jaar ervaring op de Nederlandse Antillen. En nu gaan ze ook met een clubje schrijvers naar Suriname.

We vliegen over een strandje van niks als we Suriname binnenschuiven. Direct daarna verandert de aarde in een handgeknoopt tapijt van groen, groen en groen tot aan de horizon. We gaan zachtjes landen. We gaan zonder wielen een sliding maken op een neverending landingsbaan van tachtig kleuren groen.

Maar zo is het niet. De bandjes klappen keurig uit en even later lopen we door de regen naar de ontvangsthal waar de verf honderd jaar geleden al vanaf is gespoeld.

In de bus zitten twee zussen: Nathalie en Rachel. Ze gaan een broer opzoeken van wie ze niet wisten dat hij bestond. Ze waren thuis met z’n twaalven, maar toen bleken ze toch met z'n dertienen te zijn.

Nathalie is in Paramaribo geboren en ze verzorgt de twee uur durende reis naar de hoofdstad van ondertitels. Ze zegt: „Raag, kijk, hier is mijn vriendin vermoord. Iemand stak zijn voet uit en liet haar brommer struikelen en toen was ze dood.”

Rachel, strak opgeborgen in een roze trainingspak, klemt haar tasje tegen zich aan. „Raag, kijk hier zat ik op school voor meisjes. Dat was nog niet mixmix toen, weet je toch? Raag ik ga jou alles hier laten zien.”

Als de zussen uitstappen, wijst Nathalie naar een discotheek: „En daar gaan wij straks dansen Raag.” Een doodvermoeide Rachel stapt uit en wordt onmiddellijk natgespetterd door een voorbij stuivende taxi. „Naat”, zegt ze, „Please Naat, kan dat morgen niet?”

Zondag

Het regent. Niet een klein beetje, of heel even. Maar het water kiepert genadeloos omlaag. De druppels rammen op je kop. Ik zit onder een afdakje en maak een dierenquiz. Voorlezen tijdens het festival zal lastig zijn omdat het terrein lawaaiig is. Dus verzin ik vragen bij mijn bijzondere beestenboek.

Vraag 1: Waar heeft het aardvarken borsteltjes? Als je denkt: onder zijn staart, dan ga je hier links staan. Denk je dat ze in zijn neus zitten, dan ga je rechts staan. En wie er aan het einde van alle vragen overblijft, is de winnaar. Simpel. En dan ga ik vertellen over het aardvarken en de bombardeerkever en de vliegende vis. Vertellen dus, niet voorlezen.

Het miegelt rond het hotel trouwens van de vogels. Ze zien er verzopen uit. Ze hippen rond met rafelige veertjes, maar het kan ze geen moer schelen. Ze gaan tekeer als een gek. Ook ’s nachts. Maar misschien zijn dat ook wel de kikkers, of padden, of reuzengekko’s. God mag weten wat hier allemaal rondspookt.

Het tolt vandaag in mijn hoofd. Het voelt of mijn hersenhelften van plaats hebben gewisseld. We bezochten vanochtend het festivalterrein. Dat lag er bij als een moeras. Het was patjapatja. De aarde was niet rood, of grijs, maar groen. We moesten dwars door de brij om bij onze kraam te komen. Die hebben we versierd. Dat wordt lachen met die quiz morgen, want de stoeltjes staan ook in het water.

No spang. We zien wel.

Maandag

Het plenst als een bezetene. Ik ben op de fiets naar het internetcafé gekomen. Je moet hier links rijden. Dat is nog een heel gedoe. Want de halve straat is overstroomd. En je moet dwars door die plassen heen. Als je tenminste niet geschept wil worden door een auto. Ze rijden hier als gekken.

Vanochtend op weg naar het festivalterrein ging het er weer wild aan toe. We doken telkens alle kanten op. Maar op Radio Tien was er reclame. Die van Thuiszorg eindigde in een vrolijk liedje. Een koortje zong: „Want je bent toch liever thuis, dan in het ziekenhuis!!!” En daarna klonken er van die swingende steeldrums. Dus vergaten we even dat we onderweg dood konden gaan. Alles hier wordt opgetild. Ik voel me lichter en mijn hersenhelften zijn weer naar de goede kant geschoven.

Op het terrein was het een bende. We gingen van sopsop naar onze kraam. Soms stortte het water zo hard naar beneden dat het golfplatendakje er bijna aftrilde.

Alle lagereschoolkinderen lopen in dezelfde groengeruite bloesjes. En ieder half uur schoof een nieuwe klas ons kraampje binnen. Vandaag had ik de vierde klas (groep 6) en daarin zaten kinderen van tien tot veertien. Ik vertelde een verhaal over de gekko. Maar er was geen kind dat dit woord begreep. Dus liet ik de tekening zien en toen zeiden ze allemaal: „Oooo, een kamrawintje.”

O ja, het thema van het kinderboekenfestival is water.

Dinsdag

We zitten in ons kraampje, mijn collega Erik van Os en ik. De kinderen zijn naar huis. De zon breekt door. Het zweet droogt op. Erik tokkelt wat op zijn gitaar en ik klok achter elkaar een halve liter water naar binnen.

Er kwam een klasje op bezoek. Ik begon te vertellen over de luiaard die hier in het bos om de hoek woont. Alle kinderen kennen dat beest, maar niemand weet dat hij maar eens in de tien dagen poept. Want daarvoor moet hij zijn boom uit en de luiaard kan nauwelijks lopen.

Ze keken me glazig aan en toen kwam ik erachter dat ze in het oerwoud woonden, deze kinderen en dat ze bijna geen Nederlands spraken. Wat te doen?

Ik ging de rollen omdraaien dus vertelden zij mij met hulp van de juf dat ze met de boot naar dit festival waren gekomen. De boot en daarna de bus. Wat ze deden in hun vrije tijd? Varen. Wat ze in dat bootje deden? Jagen. Met wat? Een geweer, boem boem. Waarop? En daar kwamen alle dieren langs.

Toen werd het toch nog een gesprek over dieren. Ze hielpen die bosvarkens en apen weliswaar het hoekje om maar toch, we spraken tenminste over dieren. Ik durfde natuurlijk niet te vragen of ze ook wel eens een luiaard naar beneden schoten.

Woensdag

De quiz is een doorslaand succes. Nu de modder is opgedroogd, heb ik buiten het kraampje een streep in het zand getrokken. Erik kondigt de quiz aan op zijn gitaar met de ‘Bibi’s bijzondere beestenboekenquizblues’.

De vijfdeklassers van vandaag gokten steeds goed totdat het aardvarken aan de beurt was. Alle kinderen sprongen direct rechts van de streep. Maar een dapper jochie bleef links staan. Hij won een oranje glitterpen. „Dat weet toch iedereen?”, zei hij daarna, „dat de borsteltjes bij het aardvarken in zijn neus zitten.”

Ik zit weer in het internetcafé en de muziek jaagt keihard mijn gehoorgangen in. Ik las net in de krant (De Ware Tijd) een paginavullend artikel over pindakaas. Alleen in Suriname bestaat hij voor 95 procent uit pinda’s. Overal elders in de wereld is dat slechts 15 procent. En verder las ik bij de overlijdensadvertenties ook dat De heer Henry Nooitmeer was overleden.

Donderdag 29 maart

De regen kwam zo hard omlaag dat het terrein in een rivier veranderde. Het water stroomde zo het kraampje binnen. We zaten weldra met onze benen in de lucht. De kinderen konden dus nog niet weg. We deelden ‘blaasjes’ uit, zo noemen ze ballonnen hier. Het werd een chaos want die ballonnen klapten en de kinderen lieten ze piepen en de regen roffelde en de juf liep op hoge hakken en deed niets. En toen wilden de kinderen meer ballonnen en daarna ontdekten ze mijn glitterpennen. En Eriks gedichtenbriefkaarten. En toen kwam er ook nog een wesp binnenvliegen. Zweten.

Maar plotseling scheen de zon toch weer en de kinderen begonnen naar huis te waden. En wij ook.

Dit was het, mi e gwe, ma me kon baka!!!