Haest en De Graaff gaan allochtoon

In deze verWilderde tijden ploeteren Mickelle Haest (links) en Greetje de Graaff door het polderland als allochtone vrouw op klompen. Ze gaan op inburgeringsles, verstoppen zich onder burka’s en dansen werelds

Burka

De aanschaf van een burka is nog steeds duizendmaal ingewikkelder dan die van een skinny jeans. Noch bij het kledingatelier, noch bij H&M hangen ze aan de rekken. Wij wijken uit naar de afdeling kostuumverhuur van de Nederlandse Omroep. Het laken dat we over ons hoofd trekken is donkerblauw, voor onze ogen zit een rechthoek van zwart kant. Opeens staan we in onze kinderschoenen. Vroeger was het laken wit en knipten wij twee ronde gaten ter hoogte van onze ogen. Erg lollig voelen we ons nu niet.

We doen de voordeur open en stappen de open lucht in. Door de tent die over ons heen hangt, lijkt het alsof we nog steeds niet buiten zijn. Je neemt je eigen woning mee. De eerste paar honderd meter op de Amsterdamse Kinkerstraat is het rustig. Onze ogen tranen, de kanten tralies drukken de wimpers in de ogen. Een peuter wijst: „Mama, wat is dat?”

Op de Ten Katemarkt wordt het druk. Een Marokkaanse marktkoopman roept lachend vanachter zijn sinaasappels: „Dames, wat gaan jullie doen vanavond? Gaan jullie mee iets drinken?” Een salvo aan reacties gaat dwars door onze doeken heen. En wij verstaan elk woord. Jezus en Christus worden om de haverklap ijdel gebruikt. Sommige mensen maken meer dan één woord vuil: „Je schrikt je toch helemaal de teringtyfus, het lijken wel twee lantaarnpalen!”

Door de spleet zien we ook sprakeloze mensen. We zien vertwijfeling, stille schrik, en ogen die wanhopig speuren naar een klein detail van menselijkheid. De stoere schoenen van Haest wekken argwaan en De Graaff lijkt wel erg lang voor een allochtone vrouw. „Wie weet zitten er wel twee mannen onder.”

Alle mensen reageren afkeurend, zo slecht is onze kledingkeus nog nooit gevallen. Voor iedereen is dit twintig stappen te ver. De allochtoon reageert minstens zo afwijzend als de autochtoon. Alleen de rasechte Hollanders uiten zich wel erg geblondeerd. Als wij stilstaan bij de bloemenkraam, wordt er tegen elkaar opgeboden. „Je moest er de grachten mee dempen.” „Je moet naar Pampus wil je ervan af zijn.” „Van mij mogen ze die hele klerezooi in de fik steken.”

Bij het spookje spelen van vroeger was het de sport om mensen angst aan te jagen. Nu gebeurt het pas echt. Onder ons donkerblauwe laken zijn we zelf ook bang. We spoeden ogenschijnlijk stoïcijns de markt af, maar kunnen niet rennen. Haest is bang voor een aanval van achter, het gevaar zien we alleen recht van voren aankomen. Ons venster naar de wereld is kleiner dan een brievenbus. Alles komt binnen, maar niks kan eruit. De Graaff struikelt over het ding en mist het groene stoplicht. Opeens staan Haest en De Graaff tegenover elkaar aan weerszijden van het zebrapad. De schrik is groot. We zijn elkaar volledig kwijt, een donker doek resteert.

Onder de burka zoeken we in de schemer naar onze strippenkaart. We gaan naar huis, veilig achter slot en grendel. Stempelen is een hele toer, in de burka zit geen opening. Als de tramdeuren dichtschuiven, zijn we overgeleverd aan onze medemens. Er wordt gezongen: „’t Is een vreemd’ling zeker, die verdwaald is zeker…”

Struikelend gaan we de traptreden van lijn 13 af, we vinden ons heenkomen op de vluchtheuvel. Een auto remt om ons over te laten steken. Vriendelijkheid overvalt ons, een meisje springt van haar fiets om ons voor te laten. We halen adem, nog honderd meter. „Dames! Dames, luister eens!”, een vrouw roept ons tot de orde. „We zijn hier wel in Nederland hoor!” Een Turkse vrouw op de fiets steekt haar tong uit.

Inburgeringscursus

In het Zaanse buurthuis De Poelenburcht heeft welzijnsorganisatie Welsaen een zaaltje volledig gevuld met ‘IND-vreemdelingen’. Zij voelen zich op de kuipstoeltjes overduidelijk thuis. De meeste gehoofddoekte vrouwen kwamen hier al eerder voor de fiets, koffieclub of taaltoets. Haest en De Graaff voelen zich wat vreemd, de introductie van de ‘Inburgeringscursus voor allochtone vrouwen’ is heftig. Op een powerpoint-presentatie lichten vreesopwekkende termen op. Wie dit Hollands jargon begrijpt, hoeft dadelijk het leslokaal niet meer in. Domein (onderdeel), portfolio (praktijkervaring), geografie (de kaart van Nederland) en staatsinrichting (politiek) vliegen met het gemak van een fietser met windje mee op het scherm voorbij. De golvende zee van glanzende hoofddoeken voor ons, laat de gortdroge materie gelaten over zich heengaan. Het moet fijn zijn deze termen (nog) niet te verstaan.

De laatste mededeling werkt alleen ons op de zenuwen. De gemeente Zaanstad helpt deze groep vrouwen voortvarend in te burgeren en biedt de cursus gratis aan. Maar wie zakt, is de sigaar! Op het scherm verschijnt een levensgroot euroteken met 4.270 erachter. Dit zijn de kosten van een verplicht herexamen plus cursus. Het is zaak deze gratis studiekans volledig te benutten. Om in Nederland te mogen blijven, moet iedereen binnen vijf jaar het inburgeringsdiploma in de zak hebben. Anderhalf jaar lang, drie à vier dagdelen per week naar school.

Op weg naar het klaslokaal krijgt iedere cursiste een taartje met in marsepein: ‘succes’. Haest en De Graaff worden samen met 18 vrouwen ingedeeld bij juf Sandra voor Nederlandse les. Morgen wordt ons ‘Kennis der Nederlandse Samenleving’ bijgebracht en leren we onder andere over gezondheid, verkeer en vrije tijd in Nederland. Sandra staat met Zaanse benen stevig op de grond, haar pretogen stralen vanachter een klein brilletje de klas in. Wij vragen ons af wat deze vrouwen – die wij glanzende lokken onder hun hoofddoeken toebedelen – denken van Sandra’s welbewust gekozen grijze pieken. Door de streepjes van de luxaflex zien we Maartse sneeuwvlokken door het laagland spelen. Op een paar honderd meter afstand draaien de molenwieken op de Zaanse Schans.

„Ik zal me even voorstellen”, articuleert Sandra. „Ik heet Sandra.” Ze schrijft de zin in klare letters op het whiteboard. „Ik kom uit Nederland.” Achttien keer klinkt nu: „Ik kom uit Turkije.” De meeste vrouwen zijn boven de 30 en wonen hier tussen de 10 en 20 jaar. Na naam en geboorteland, volgt een rondje kinderen. „Ik heb twee kinderen, jongen, meisje.” Iedere vrouw heeft twee of drie kinderen, de gemiddelde grootte van een Nederlands gezin. Over mannen wordt niet gepraat.

Een pittige Turkse zegt gedecideerd: „Allochtoon, ik hoor altijd, wil weten hoe het schrijft.” Sandra schrijft de woorden allochtoon en autochtoon op het bord en stelt zichzelf en Haest en De Graaff voor als autochtoon. „Mijn zoon hier Nederland geboren, ook allochtoon?” We vinden allemaal van niet, maar voelen van wel. Verwarring alom. Vervreemdende begrippen zorgen voor ontheemde gevoelens.

Sandra wordt regelmatig onderbroken. In Nederlands staccato of Turkse zinnen kaatsen gevatte opmerkingen en grappen tussen de tafels heen en weer. De juf draagt de vrouwen op tijdens de les geen Turks te praten. Verbieden kan niet zomaar, een stevige onderhandeling volgt. „Eerste dag mag wel?” „Klein beetje?” Sandra grijnst onverbiddelijk. Een laatste weerwoord klinkt: „Niet Turks vertellen, schrijven onder tafel.” Luid gelach. We gaan opgewekt verder, in het Nederlands.

Op het bord staat een boodschappenlijstje – papier, tabbladen, puntenslijper. De buurvrouw van Haest laat deze Nederlandse woorden in haar schrift vergezellen van het Turkse kägit, dosya en kalemtras. Sandra vraagt: „Weet je waar ik dit altijd koop?” De eerste gokt Zeeman. Volgens Sandra moet je voor deze spullen toch echt bij de Action zijn, geen cent te veel. „Wibra ook!”, klinkt een enthousiaste stem. Onder iedere hoofddoek zit een Zeeuws meisje. „Prima, de Hema is te duur”, besluit Sandra.

„Tot overmorgen!”, sluit Sandra de les af. „Niemand is de volgende keer ziek. Geen buikpijn, niet ongesteld en geen griep! Jullie kinderen zijn ook niet ziek.” Een van de vrouwen gaat niet zomaar naar huis. Zij heeft zich voorgenomen tijdens het inburgeren eindelijk duidelijkheid te krijgen over de begrippen die in de polder almaar om haar oren waaien. „Mijn zoon allochtoon?” Met alleen de juiste spelling in haar schrift, gaat ze naar haar huis dat al twintig jaar op Nederlandse bodem staat. Haar zoon is er geboren.

www.ind.nl

Hafla Anissa, hét feest van de vrouw

In de tempel van de pop bewegen schoonheden opzwepend en ritmisch. Billen en borsten deinen, heupen schudden, sexy hakken dansen patronen op de vloer. Helaas voor de mannen, dit feest blijft voor hun onzichtbaar. In Paradiso wordt deze zondagmiddag ‘hét feest van de vrouw’ gevierd: Hafla Anissa. Organisator Marmoucha verzorgt regelmatig muzikale feesten rondom de Marokkaanse cultuur. Meestal met, en soms zonder Mohammed.

Meisjes dansen uitgelaten op de wereldklanken die vanaf de draaitafel van dj’s Houda & Lubna rondzingen. Op het grote projectiescherm golven geen halfnaakte MTV-meisjes, maar Arabische patronen met goudvissen. Moeder, oma, nichtje, zusje, buurvrouw en schoolvriendinnen vormen een multimix van strakke broeken, hippe jurkjes en klassieke kaftans. Hoofddoeken half-om-half. De Marokkaanse cultuur wordt uitbundig gevierd – nieuwe muziek, mode en eten, dat kun je ook heel goed blond. Toch zijn wij zeldzaam.

Op de rode loper van de catwalk presenteren modellen de nieuwe collectie van Marokkaanse topontwerpers. In 2007 zijn de riemen breder, de sluitingen schuin en de tunieken driekwart. In hun uitwaaierende gewaden vol goudbrokaat en borduursels zijn de modellen Oosterse sprookjesprinsessen. Jurken waar ieder klein meisje van droomt. De modellen komen uit alle windstreken. Een Bridget-look-a-like in vlammend rood, en een Surinaamse beauty met dreads in het paars. Honderden vrouwenhanden houden geen vlammende aanstekers in de lucht, maar blauw oplichtende digitale fotoschermpjes. Een Marokkaans model gooit halverwege de show de brutale split van haar jurk open. Boven haar dijlange laarzen verschijnt een bloot bovenbeen. Er gaat een vrolijke siddering van oelalala door de menigte. De meisjes giechelen, oma’s laten zich niet kennen.

Wat wij met onze polderkoppen aanzien voor koningshuiskledij, blijkt een vast onderdeel te zijn van de kledingkast van elke toeschouwster. De Graaff hoort van haar buurmeisje – hip gekleed in Mango 2007 – dat ze zeker drie van dit soort jurken heeft. „Voor feesten, partijen en besnijdenis.” Een vrouw lacht breed onder haar knalroze hoofddoek. Zij is blij met deze feesten, kan ze lekker dansen zonder de jaloerse blikken van haar man. „Hij past vanmiddag op de kinderen”, meldt ze Haest voldaan.

Een studente komt voor de Noord-Marokkaanse topzangeres Milouda al Hoceimia, dat is de enige reden dat ze hier is. Zij is niet getrouwd, en heeft meer te zoeken op een feest met mannen.

Geen mannen, geen opbouw- en welzijnswerkers. Er kan vrij bewogen worden.

www.hafla-anissa.nl www.marmoucha.nl