Gemangeld tussen China en Japan

De opmerkelijke expansie van Zuid-Korea dreigt tot stilstand te komen. Van vitaal belang voor zijn economie is goederen te produceren die China (nog) niet kan maken, tegen een prijs waar Japan niet tegenop kan concurreren. „Lichtpunt is onze obsessie met onderwijs.”

In de lawaaiïge fabriek van Hyundai Motor bij de luchthaven van Peking bevestigen fris ogende werknemers bumpers op sedans of spiegels aan terreinwagens. In vijf verschillende modellen rollen er ieder uur 68 voertuigen van de productielijn. De Zuid-Koreaanse fabriek maakt er 300.000 auto’s per jaar, de productie zal verdubbelen als volgend jaar een tweede faciliteit klaar is. De 4.200 Chinese werknemers – gemiddelde leeftijd 26 jaar, basissalaris 270 euro per maand – zijn lid van een werknemersorganisatie waarvan het doel eerder het bevorderen van harder werken lijkt dan het streven naar hogere lonen.

„De werknemers hier zijn zeer flexibel – het is het tegenovergestelde van Korea, waar de situatie onhoudbaar is,” zegt Noh Jae-man, de president van Beijing Hyundai.

Bij de grootste fabriek van Hyundai in het Zuid-Koreaanse Ulsan verdienen de werknemers – gemiddelde leeftijd 41 jaar – bijna 3.500 euro per maand, terwijl ze 55 auto’s per uur produceren. Ze weigeren meer dan drie modellen op één enkele productielijn te bouwen en aanvaarden geen langere werktijden – die ten koste zouden gaan van hun overwerkuren. Ze zijn zwaar georganiseerd: vorig jaar kostte een 25 dagen durende staking Hyundai zo’n 7.800 auto’s, ofwel 95 miljoen euro aan omzet.

Net als andere mondiale producenten proberen Koreaanse bedrijven hun voordeel te doen met China’s goedkope en productieve arbeidskrachten en hoogwaardige infrastructuur. Het elektronica- en chemieconglomeraat LG is zelfs zo dominant aanwezig in de miljoenenstad Nanking, dat de hoofdstraat naar LG is vernoemd.

Maar van China gaat ook gevaar uit. Chinese bedrijven dreigen de Koreaanse industrie in China volledig weg te vagen. Hyundai mag dan nu van China profiteren, het autoconcern maakt zich zorgen over de agressieve expansie van lokale producenten als Chery. Veel Chinese modellen vertonen een opvallende gelijkenis met de auto’s die door Koreaanse en andere producenten worden gemaakt. Het aloude Zuid-Koreaanse model van imitatie en een door de exportindustrie gevoede groei is nu ook China’s model geworden.

Na de Aziëcrisis eind vorige eeuw heeft de Koreaanse economie een radicale sanering ondergaan en heeft Zuid-Korea, een van de twaalf leidende economieën ter wereld, zijn markten voor derden geopend. Toch wordt algemeen aangenomen dat het land een tweede golf van hervormingen nodig heeft om zijn concurrentievoordeel ten opzichte van China te behouden en over te schakelen naar de volgende fase van zijn opmerkelijke expansie.

Omdat de Koreaanse economie afhankelijk blijft van de industrie – en van maar een beperkt aantal producten, zoals mobiele telefoons, halfgeleiders en auto’s – neemt de zorg toe dat Zuid-Korea zijn dynamiek aan het verliezen is. De economische groei bedroeg in de vier regeringsjaren van president Roh Moo-hyun gemiddeld 4,2 procent, minder dan het algemeen voor mogelijk gehouden niveau van 5 procent. „We hebben na de Aziëcrisis twee tot drie jaren van grote saneringen gekend, maar nu zijn de Zuid-Koreaanse bedrijven weer heel behoudzuchtig geworden”, zegt Jung Ku-hyun, president van het economisch onderzoeksinstituut van het industriële conglomeraat Samsung. Economen in Seoul hebben het regelmatig over de ‘sandwich’- of ‘notekraker’-theorie – een verwijzing naar het gevaar dat Zuid-Korea wordt vermorzeld tussen het goedkope China en het hoogtechnologische Japan. Zij roepen het spookbeeld op van een op Japanse – of Duitse – leest geschoeide ‘uitholling’ van de Zuid-Koreaanse industrie. Een voorgenomen vrijhandelsovereenkomst met de Verenigde Staten had als katalysator voor die tweede golf van hervormingen moeten dienen, zodat sectoren die te veel bescherming genieten – zoals auto’s en landbouw – met concurrentie te maken zouden krijgen.

„Japan zal niet eeuwig aan de zijlijn blijven zitten en China doet dat al helemaal niet meer, dus Zuid-Korea moet zijn positie in de regio heroverwegen en naar veranderingen streven”, zegt Myron Brilliant, president van de Amerikaans-Koreaanse zakenclub.

Hoewel de fabriek van Hyundai in Peking productiever is dan die in Zuid-Korea zelf, kan geen enkele fabriek tippen aan de vrijwel volledig geautomatiseerde fabriek van Hyundai in het Amerikaanse Alabama, die 72 auto’s per uur produceert.

Cho Won-dong, topambtenaar op het ministerie van Financiën, vindt de zorgen over de afnemende dynamiek van Zuid-Korea te „drastisch”: „als je kijkt naar ons economisch groeipotentieel, dan ligt dat nog steeds rond de 5 procent, en een groot deel van de groei is afkomstig van productiviteitswinst”.

Toch zijn veel economen en zakenlieden in Seoul gealarmeerd door het trage tempo van de veranderingen. Zij zeggen dat China snel aan het opstomen is en spoedig het soort chips en flatscreentelevisies zal kunnen produceren waarmee Zuid-Korea naam heeft gemaakt. De structuur van de Chinese export, waarin het aandeel van elektronica-artikelen en andere hoogtechnologische producten is gestegen naar bijna 40 procent, lijkt nu veel meer op die van Zuid-Korea dan een jaar of tien geleden. Hoewel de meeste technologie-exporten afkomstig zijn van Chinese bedrijven die zijn gefinancierd met buitenlands geld en de meeste hightechcomponenten worden geïmporteerd, vormt de plotselinge verandering voor de Zuid-Koreaanse bedrijven een bron van zorg. „Zuid-Korea en China waren als twee ganzen die in formatie vlogen”, zegt Kim Joon-kyung, vice-president van een aan de overheid gelieerde denktank. „Maar nu is de Chinese gans bezig met een inhaalslag. Zuid-Korea is de pc-sector al kwijt en er zal nog meer volgen.”

De Koreaanse bedrijven zijn nerveus. Kun-hee, de president-commissaris van Samsung – dat ongeveer 20 procent van de export van het land voor zijn rekening neemt – waarschuwde deze maand dat Zuid-Korea „wakker moet worden” of anders binnen vijf tot zes jaar „economische chaos” tegemoet kan zien. Hij voegde eraan toe dat Samsung zijn divisie voor elektronische apparatuur, die sinds 2003 verlies lijdt, wil verhuizen naar een minder ontwikkeld land. Op het gebied van de scheepsbouw is Zuid-Korea de afgelopen tien jaar wereldleider geweest, maar China loopt nu zo snel in dat de Koreaanse geheime dienst een onderzoek heeft ingesteld naar technologielekken. Zuid-Korea’s huidige voorsprong van vier jaar op Chinese fabrikanten van flatscreentelevisies zal in 2010 waarschijnlijk nog maar één jaar bedragen, zegt de elektronicalobby.

Dat komt ook doordat Zuid-Koreaanse bedrijven, na het trauma van de Aziëcrisis, terughoudend zijn gebleven met investeren. „Vóór de crisis investeerden ze heel veel, ook al was hun financiële structuur niet zo goed”, zegt onderzoeker Jung van Samsung. „Maar nu beschikken ze wel over het financiële, technologische en bestuurlijke vermogen om te investeren, maar aarzelen ze om risico’s te nemen.”

Hij staat zeker niet alleen met zijn opvattingen. „Zuid-Korea is erin geslaagd de crisis te overwinnen, maar de neveneffecten waren ook aanzienlijk, omdat de hervormingen drastisch en eenzijdig ten uitvoer zijn gelegd”, zegt Lee Kyung-tae, president van een andere denktank die aan de overheid gelieerd is. „Dynamiek komt uiteindelijk neer op investeringen, maar de investeringen bruisen niet.” (Zie: China haalt zelfs Japan in).

De Zuid-Koreaanse industriële conglomeraten als Samsung en Hyundai zijn mondiaal opererende bedrijven geworden, die iedere storm beter zullen doorstaan dan de rest van Zuid-Korea. De kleine en middelgrote bedrijven, die de basis van de economie vormen, baren zorgen. Zij hebben het gevoel in de val te zitten. „De marges van de conglomeraten staan onder grote druk door de kracht van de munt en door de moordende internationale concurrentie. Een voor de hand liggend gevolg zal het afknijpen van de marges van hun leveranciers zijn”, zegt Stephen Bear, hoofd van McKinsey in Seoul.

„In veel gevallen komt het mkb aan de andere kant ook in de verdrukking door de opkomende concurrentie vanuit China. Het volgende probleem voor Zuid-Korea zal waarschijnlijk te maken hebben met de uitholling van deze sector.”

De problemen worden nog verergerd doordat de staat kredietgaranties verstrekt, wat betekent dat bedrijven die slecht presteren niet failliet gaan. Volgens Kim Joon-kyung heeft dit geleid tot ‘zombiebedrijven’, dat wil zeggen bedrijven die hun schulden niet kunnen afbetalen, maar waarvan de kredieten telkens worden verlengd als gevolg van de staatsgaranties.

Meest bedreigend voor het mkb is dat de Zuid-Koreaanse vestigingen in China hun onderdelen steeds vaker lokaal betrekken. Volgens berekeningen van Kim kochten zij in 1996 een kwart van hun onderdelen bij lokale leveranciers, maar was dat bijna tien jaar later al de helft.

Ongeveer eenderde van het Zuid-Koreaanse mkb maakt geen winst meer. „De mensen denken dat we die bedrijven op de een of andere manier in leven moeten houden”, zegt Jung van Samsung. „Maar marginale bedrijven – dit is lastig om te zeggen – moet je loslaten, zodat de markt de middelen opnieuw kan verdelen.”

Los van het terreinverlies op het gebied van de investeringen en de technologische ontwikkeling, is de concurrentiepositie van Zuid-Korea ondergraven door een opwelling van economisch nationalisme. Die verandering in de gemoedstoestand deed zich voor nadat buitenlandse beleggers grote winsten boekten op de bezittingen die zij na de Aziëcrisis tegen afbraakprijzen wisten te bemachtigen. Het kwam tot een climax bij Lone Star, dat in 2003 de in problemen verkerende Korea Exchange Bank opkocht. Het private-equityfonds is onderwerp geworden van een met veel bombarie omgeven onderzoek, nu het probeert zijn belegging af te stoten. Het onderzoek jaagt zowel binnen- als buitenlandse beleggers schrik aan. „We lopen het risico buitenlandse beleggers van ons te vervreemden, terwijl we ze met open armen zouden moeten verwelkomen”, zegt een Zuid-Koreaanse zakenbankier. „Zuid-Korea is niet zo’n opwindend groeiverhaal als China of India, maar het is ook niet zo verzadigd als Japan, dus we bevinden ons op een cruciaal punt. Maar we dreigen geïsoleerd te raken.”

Toch zijn er tekenen van hoop. Jung wijst op de Koreaanse obsessie met onderwijs en de gunstige gevolgen daarvan voor de creativiteit, zoals wordt bevestigd door een Koreaanse golf van muziek en films die over Azië heen spoelt. „Ik denk dat we in een fase zijn aangeland, waarin onze toekomstige groei zal voortvloeien uit technologische vooruitgang, design, onderwijs en ideeën”, zegt hij.

Van vitaal belang zal het zijn om goederen te produceren die China (nog) niet kan maken, tegen een prijs waar Japan niet tegenop kan concurreren.

Kwon Tae-shin, de Zuid-Koreaanse ambassadeur bij de OESO, vertelt een grap om de problemen van zijn land te verduidelijken. Een winkeleigenaar hangt een bordje buiten zijn winkel met de tekst: ‘De beste prijzen.’ De klanten stromen binnen. De winkeleigenaar twee deuren verder slaat terug met het bordje: ‘De beste kwaliteit.’ Maar de eigenaar van de winkel tussen de twee kemphanen heeft een bordje: ‘Hier naar binnen.’ Het is een strategie die Zuid-Korea wanhopig probeert tot de zijne te maken. Gemangeld tussen China en Japan moet het land proberen van zijn middenpositie een voordeel te maken.

© Financial Times 2007. Vertaling: Menno Grootveld