‘Een rechter moet de schijn vermijden’

Én rechter, én senator zijn: dat is niet wijs, zegt de president van de Hoge Raad. Over aanzien, gezag en uitstraling van de rechtelijke macht.

Joost Oranje

„Ik heb mijn huiswerk gedaan”, schertst Willibrord Davids. De president van de Hoge Raad was deze week in Luxemburg voor een bijeenkomst met de presidenten van de hoogste rechtscolleges van de Europese Unie. „Ik heb aan mijn Franse collega gevraagd of het denkbaar is dat een rechter in Frankrijk ook lid is van de senaat. Hij keek alsof hij water zag branden.”

Respecteren de Fransen de trias politica van hun landgenoot Montesquieu meer dan Nederlanders? In zijn De l’esprit des lois schreef de filosoof dat het belangrijk is dat de drie overheidstaken wetgeving, bestuur en rechtspraak niet in dezelfde hand komen. „In de Nederlandse Grondwet staat dat leden van de Hoge Raad geen zitting mogen nemen in de Eerste en Tweede Kamer”, zegt Davids. „Met de trias politica als leidraad – de onafhankelijke uitvoering van het rechtsambt – is het mij altijd een raadsel geweest waarom dat voor leden van de Hoge Raad geldt en niet voor bijvoorbeeld de kantonrechter in Groenlo.”

Op zijn werkkamer in het Huize Huguetan aan het Lange Voorhout in Den Haag, legt Davids artikel 43 van de ‘wet rechtspositie rechtelijke ambtenaren’ uit. „Volgens de wetgever mag een rechter ook lid zijn van de Eerste Kamer. Formeel is er geen bezwaar, maar ik zit op de lijn dat het niet wijs is om deze functies te combineren.”

Waarom niet?

„De senaat heeft van oudsher het odium dat het alleen kijkt naar de juridische aspecten. Dat is al lang niet meer zo. De politieke profilering zie je steeds meer in het wetgevingsproces, en via het internet is dit nauwkeurig te volgen. Politieke partijen hebben meer behoefte om zich ook in het voorbereidend traject te profileren.

„Over deze wetten wordt gestemd dus de senator/rechter heeft een standpunt ingenomen. Dan kan de schijn ontstaan: staat deze rechter nog wel onbevangen tegenover het onderwerp waar hij een rechtelijke uitspraak over moet doen. Die schijn moet je vermijden. Je moet – ook in deze kwestie – rekening houden met het aanzien, het gezag en de uitstraling van de rechtelijke macht.”

De rechter/senator zegt dat zijn kennis en ervaring worden ingezet om verbeteringen en verduidelijkingen van wetsontwerpen te krijgen.

„Het is goed om als rechter te worden geraadpleegd, en dat gebeurt ook bij de voorbereiding van de wet. Dat is het gremium waarin je je geluid kan laten horen. Niet in het parlement.”

In een conceptadvies wordt de dubbelfunctie door een commissie vanuit de rechtspraak afgewezen.

„Ik volg de redenering dat de scheiding alles te maken heeft met het integriteitsbeeld van de rechtelijke macht en met het tegengaan van de schijn van partijdigheid. Dat laatste aspect is door uitspraken van het Europees Hof voor de rechten van de mens aangescherpt. Het hof zegt dat het niet alleen gaat om de onbevangenheid en onbevooroordeeldheid, maar ook om de schijn daarvan. Het Europees Hof kijkt niet alleen naar de objectiviteit, maar ook naar de subjectiviteit, de schijn.”

Moet er een wet komen om de dubbelfunctie van rechter en senator te verbieden?

„Ik zou er geen bezwaar tegen hebben als de grondwettelijke regeling zoals die er nu is voor de leden van de Hoge Raad zou worden uitgebreid naar allen die met rechtspraak belast zijn. Maar het kan eventueel ook per wet.”