‘Die dode hond, die lag lekker te slapen’

Poelier en pluimveehouder J.V. moest voor de rechter verschijnen omdat het op zijn bedrijf „een kommer en kwel en droeve ellende was”. „Ik ga toch niet mijn eigen handel verwaarlozen?”

Toen J.V. (50), poelier en pluimveehouder te Alphen a/d Rijn, vorig jaar door de politierechter werd veroordeeld wegens dierenverwaarlozing, nam hij om ‘principiële redenen’ geen genoegen met de voorwaardelijke celstraf van drie weken of een werkstraf van dertig uur die hem was opgelegd. Hij ging in hoger beroep. „Ik ga toch niet mijn eigen handel verwaarlozen?”, zo verweerde hij zich tijdens de rechtszitting.

Volgens de hofaanklaagster daarentegen was het op het bedrijf van J.V. „kommer en kwel en droeve ellende”: te midden van de levende have waren „kadavers van kippen, konijnen en een kalkoen” aangetroffen; ze noemde de boel „ontzettend smerig” en de dieren zou „nodeloos zorg onthouden” zijn: ze waren ziek of „hongerig” en verstoken van „vers drinkwater”. De eis was andermaal een werkstraf naast een voorwaardelijke celstraf met een proeftijd van twee jaar. Het Haagse gerechtshof echter sprak hem, bij gebrek aan bewijs en overtuigende feiten, in februari alsnog vrij.

„Het hele verhaal is erg opgeklopt”, zegt J.V. (die zijn volledige naam niet vermeld wil hebben) daags na de uitspraak. „Er stonden veel onwaarheden in het proces-verbaal en er waren foto’s gemaakt die een heel verkeerd beeld gaven. Als ze vanuit een andere hoek waren gemaakt, had je een andere indruk van de situatie gekregen.” Het staat voor hem dan ook vast dat hij het slachtoffer is geworden van „narrigheid” en ondeskundig oordelen van hem niet welgezinde figuren die een „bezoekje” kwamen afleggen toen hij „in de penarie” zat. Het was in de periode dat hij onder penibele omstandigheden het hoofd boven water moest houden in afwachting van een nieuwe boerderij die hij inmiddels heeft betrokken, samen met zijn bejaarde vader, twee katten en een opgewonden kanarie in een kooi.

„Ons poeliersbedrijf lag vroeger in een kleinschalig industriewijkje aan de rand van Alphen. Mijn vader was ermee begonnen toen ik twee jaar was; mijn moeder deed de winkel, dat was haar paradepaardje. Sinds 1975 werken mijn vader en ik samen. Door de verstedelijking van Alphen kwam de wijk in de loop der tijd steeds meer in het centrum te liggen. In het kader van stadsvernieuwing besloot de gemeente op een zeker moment dat het industriegebied plaats moest maken voor woningbouw.

„Vier jaar geleden zijn wij onteigend. De onteigeningswet bepaalt dat je schadeloos gesteld wordt, maar in werkelijkheid ga je er flink op achteruit. Het bedrag was niet genoeg om een nieuw bedrijf te beginnen, we moesten het verder zelf maar uitzoeken. We hadden alleen nog drie hectare land, daar hebben we toen een caravan neergezet.”

Vier jaar bivakkeerden ze in hun noodvoorziening zonder water en stroom, maar, zegt de vader nu strijdvaardig, „als het nodig was ging ik er morgen weer in”. De zoon: „Ik vond het minder dan hij.” Op het perceel deed een potstal dienst als tijdelijk onderkomen voor de dieren die ze verhandelden en er stonden oude voertuigen. Het geheel maakte „een wat rommelige indruk”, merkt J.V. op, niettemin „waren die wagens meer waard dan het Peugeootje van de inspecteur van de Landelijke Inspectiedienst Dierenbescherming” die op een dag onaangekondigd het terrein kwam controleren toen J.V. aan het werk was.

„De inspecteur was getipt door een klant die een probleempje met mij had omdat ik hem naar zijn idee niet genoeg betaald zou hebben. Hij wilde mij pakken. Hij is hiernaartoe gereden en toen hij een paar dode kippen en konijnen zag liggen, heeft hij de Dierenbescherming gewaarschuwd. De inspecteur heeft de politie ingeschakeld en een heel narrige verklaring gegeven.”

J.V. geeft toe dat er dode dieren lagen: tien ‘uitgeselecteerde’ kippen die geslacht waren, twee konijnen die tijdens het transport van een kinderboerderij naar zijn adres waren overleden nadat „een agressieve caviabeer” ze in de neus had gebeten en een oude kalkoen. „Het is nalatig geweest dat ik ze niet tijdig verwijderd heb, maar dat kwam door tijdsdruk. Er zijn periodes dat je voortdurend op pad bent om te laden en te lossen en dan duurt het soms een paar dagen voordat we kunnen opruimen. We verkopen eieren en dieren voor de sier, voor de slacht en aan de wildhandel. We slachten ook zelf, vaak voor klanten uit de allochtone gemeenschap. Als het spul hier in hokken gaat, is dat meestal voor één of twee dagen.”

De vader: „Dit is een doorgangshuis.”

De zoon: „Vaak ook kopen we dieren op en brengen we ze direct weg. Dan blijven ze in het krat, maar ze zijn nooit langer dan acht uur onderweg. De inspecteur vond dat er te veel dieren in een krat zaten, maar de hoeveelheid is afhankelijk van de grootte van de dieren. Er kunnen wel achttien jonge hennen in een krat, heb je oude kippen die een beetje fors zijn, dan stop je er twaalf in.

„Volgens de inspecteur lag overal stront. Inderdaad: het was een potstal en dat betekent dat je steeds opnieuw zaagsel of stro opstrooit en pas gaat uitmesten als alles is verkocht. Hij zou dieren hebben aangetroffen die geen water hadden. Ik heb gezegd dat wij ze nog water en voer hebben gegeven voordat we om zeven uur ’s ochtends wegreden. Er was ook sprake van vies water, maar wat wil je: eenden en ganzen gaan zitten in een bak met water en dan wordt het vuil. De officier van justitie vond het schandelijk dat we slootwater gebruikten. Wat is daar mis mee? Elk agrarisch bedrijf zuigt met een hydrofoor slootwater op. Dat wordt onder leidingdruk gezet en aan de dieren te drinken gegeven.”

De bevindingen van de inspecteur van de Dierenbescherming leidden aanvankelijk tot een schikkingsvoorstel van 330 euro dat J.V. naar zijn zeggen echter nooit heeft ontvangen. „Ik had toen officieel geen vaste woon- of verblijfplaats en ze hebben het naar een niet bestaand adres gestuurd. Dat vind ik niet netjes. De inspecteur heeft het willens en wetens op een proces laten aankomen. Hij bleef ook steeds herhalen: ‘de rechter moet het maar uitmaken’. Als ik een proeftijd van twee jaar had gekregen, kunnen ze je makkelijker blijven controleren. Maar anders komen ze ook wel ongevraagd kijken. Als de Landelijke Dierenbescherming toevallig je kanariepietje zonder water ziet zitten, mogen ze de deur intrappen en binnenkomen.

„Alle meldingen moeten ze natrekken. Er is hier een bejaard stel dat zich geroepen voelt het dierenwelzijn in de gaten te houden. Verklikkers zijn het, die overal rondneuzen. Zo kregen we eens de politie en de Dierenbescherming op bezoek omdat het stel had beweerd dat bij ons op het erf een kist met kippen in de zon stond en dat er een dode hond lag – nou, die kist heeft daar hooguit een half uur gestaan en dat hondje was oud en lag lekker in de zon te slapen. Vorig jaar toen we de schapen aan het scheren waren, lag er op het terrein een hoop witte en zwarte wol. De volgende dag had ik de Algemene Inspectiedienst aan de lijn: er was een melding binnengekomen dat er schapenkadavers lagen.” De vader, schaterend: „Je kunt echt niets meer laten liggen hoor.”

Kleine bedrijven zoals dat van J.V. zijn voor controle-instanties als de AID moeilijk controleerbaar. „Volgens de Wet boerderijslachten mogen wij onze eigen dieren slachten: tweehonderd per week, tot een maximum van tweeduizend per jaar. Maar boerderijslachten is veel ambtenaren van de AID een doorn in het oog, is mijn ervaring. Ze zullen het niet toegeven, maar voor hen zijn wij een bedrijf zonder bestaansrecht. Grote bedrijven zijn doorzichtiger. Daar komt bij dat iedere ambtenaar de regels op zijn eigen manier interpreteert. Als je tien ambtenaren vraagt hoe de wet in elkaar steekt, krijg je acht verschillende antwoorden. Vroeger waren de mensen van de AID boerenzoons die van de hoed en de rand wisten, tegenwoordig zijn het allemaal pennelikkers die weinig verstand van zaken hebben.

„Wij hadden te maken met een ambtenaar die zei dat we voor het slachten een verdovingsapparaat moesten aanschaffen. We hebben een elektrisch mes gekocht, maar hij stuurde ons ermee terug omdat de manier waarop wij het gebruikten volgens hem niet was toegestaan – dat bleek wel zo te zijn. Normaal sloegen wij een dier altijd eerst met een stok achter de kop zodat het buiten westen was en dan gingen we snijden. Nu gaat het dier in een ijzeren ton die geaard is, je pakt de kop beet, snijdt met het verdovingsmes en dan is hij direct geëlektrocuteerd.”

Als kind al hielp J.V. zijn vader met kippen slachten, eenden plukken en hanen villen. „Al doende leerde je een kip te herkennen die niet meer geschikt is om door te gaan, dat is meestal als ze voor de tweede keer in de rui is. De kam wordt paars, donkerrood en dan weet je: die haalt het niet meer. Ik had geen kans om sentimenteel met dieren te zijn. Dieren vind ik best leuk, maar ik snijd ze ook net zo makkelijk de strot af. Het is handelswaar.

„Het poeliersvak is langzamerhand de nek omgedraaid door de supermarkten en slagers. Wij gaan door zo lang het kan; het moet wel rendabel blijven, je gaat niet voor elke duif apart rijden. Vroeger had je minimale rijkosten. Je ging twee keer in de week naar de markten om te kopen en te verkopen. Dat was de mooiste handel. Na de vogelpest in 2003 zijn ze allemaal gesloten wegens het risico van dierziekteverspreiding, alleen die in Barneveld is nog open, maar die stelt niets meer voor.’’

De vader: „Het leuke van dit werk is als je verkoopt en goed hebt verdiend. Dan prijs je jezelf.”

De zoon: „Je denkt altijd: de volgende keer moet het nog beter. Vier jaar hebben we alleen maar zitten wachten in de polder. Nu we een boerderij hebben, wil ik een volière en een vijver maken, we kunnen eindelijk weer vooruit.”