De Corot zoekt verre vrienden

Malcolm Fridlund laveert in de bijdrage over de Corot-missie behendig tussen enorme onwaarschijnlijkheden om deze zoektocht te verantwoorden (`De Corot zoekt verre vrienden`, W&O 17 maart). Als wij leven op Mars vinden, zegt dat niet veel, want dat kan gewoon van de aarde komen”. Dus wij zoeken het maar wat verder. Het denken over `leven` als iets dat een weinig variabele zaak is, waar het ook ontstaat, komt overeen met die populaire ruimtereizen. Daarbij zijn beschavingen op verre planeten slechts subtiel van elkaar te onderscheiden, zoals door de vorm van de oren bij Dr. Spock. Natuurlijk zal leven op Mars direct te herleiden zijn tot het aardse leven óf als iets totaal anders herkend worden. Het gehele aardse leven is slechts één enkel systeem, waarbij alle DNA uit elkaar is ontstaan. Oneindige variaties zijn voor te stellen, als het gaat om het principe van een zichzelf instand houdende organisatievorm van grote moleculen, maar die zijn nog nooit gevonden. Corot gaat zoeken naar aardachtige planeten in de hoop daar ooit ook zoiets moois te vinden. Wie een beetje gevoel heeft voor de kansen zal zoiets snel van een aandoenlijke primitiviteit gaan vinden. Moderne inzichten geven aan dat zelfs ruim gedefinieerd `leven` toch wel extreme voorwaarden stelt aan de plek waar dat zou moeten ontstaan. Ward en Brownlee`s bekende boek Rare Earth (2000) cijferde zo hard door dat het gevoel dat overblijft alleen nog is: hoe is het mogelijk dat het hier op aarde ooit kon ontstaan? De simpele reflex is dan, dat dát wel erg toevallig zou zijn, dat het alleen hier lukte. En omdat toeval op de proef te stellen worden de Corot-, Keppler- en Darwin-missies er op uit gestuurd, al is de kans iets te detecteren gewoon nihil te achten. Mooi werk wel, wie weet wat wij ervan leren. Alleen een ding wordt steeds vergeten: dat het toevallige, van juist die aarde met het leven, een denkfout is. Was het leven hier niet, zouden wij die vraag niet stellen. Dat zegt dus niets helaas. Het zal daarom wel erg lang zoeken blijven, naar dat begeerde `oppikken van een levensteken`, zelfs als de budgetten waar Fridlund over spreekt niet opdrogen.