Dag Sjeng

Drie jaar stond hij op stand-by. Drie jaar leek het alsof hij vanuit de dug-out naar een wedstrijd zat te kijken die stil ligt. Zo kon het niet verder: Sjeng Schalken heeft deze week officieel afscheid genomen van de tennissport. Uitgeteld door de sluipmoordenaars Pfeiffer en hernia.

Het afscheid komt niet als een klap. Een jaar geleden wist hij al dat het niet meer goed zou komen, met die uitvalverschijnselen van het linkerstandbeen. Maar een topsporter heeft aan een strohalm genoeg om toch weer te gaan voor gaatjes en dromen. Sjeng bleef trainen, pendelde van scan naar scan. Dacht een ‘automische vooruitgang’ in de hernia te constateren. Illusie, niets dan illusie. Vergeefse moeite.

De gezellige bewoner van een Limburgse kasteelhoeve bleef kurkdroog in het afscheid. Geen traan, geen trillende bovenlip, geen brok in de keel. Weinig tot geen misbaar. De man die in zijn carrière indruk maakte met zijn groundstrokes, forehand en backhand bleef strak overeind in zijn einde der tijden. Als sculptuur, bijna. Hij zei het een jaar geleden al: „In de sport ben ik hard geworden. Hardheid is goed. Je huid moet schuurpapier zijn – met een perzikenhuid kom je nergens.” Dat zei dus een zachtaardige Limburger.

Sjeng Schalken wist dat hij als tennisser boven zichzelf was uitgegroeid. Top-40-speler met onwaarschijnlijke mazzel. Gedoogd door de goden. Toch won de voormalige nummer elf van de wereld negen ATP-toernooien, haalde hij de halve finale op de US Open, speelde hij drie keer op rij de kwartfinale op Wimbledon. Dan ben je een hemellichaam.

Ik keek graag naar Sjeng. Achter zijn roestige slungelachtigheid ging een gedreven perfectionist schuil. Een vechtmachine met dode ogen. Hoe verder in de wedstrijd hoe nijdiger hij werd. Opeens ging alles leven, brak het lijkbleke gezicht open in een triomfantelijke grijns. In een vijfsetter nam de wil om te doden het over. Pas als hij zowat een halve dag op de baan gestaan had, kon hij, bij winst, echt juichen. Zonder uitputtingsslag is er geen vlees aan geluk. Die missie.

Nooit heeft iemand Sjeng Schalken met een zweetbandje of met een publicitair verglitterde tennistas op de court zien komen. Sjeng had alleen zichzelf bij zich. Hij wist dat hij kon bekoren met dwangmatige professionaliteit, niet met franje. Skeletspeler pur sang. Het was alsof hij anoniemer wou zijn dan de tegenstander, al helemaal dan de tribunes. Een hoogst enkele keer liet hij zich betrappen op wilde gebaren, maar in de volgende game lag hij alweer in de plooi van zijn alledaagsheid. Kind in de kribbe. Kermen en kreunen, was niet van hem. Misschien ook wel omdat hij van jongsaf vertrouwd was met het doemscenario van een leven.

Een broer van de tennisser is op jonge leeftijd gestorven aan leukemie. Een andere broer is mongoloïde. Het hield hem niet tegen om als nomade over de wereld te zwerven, van jetlag naar jetlag. Zonder schuld en spijt, zonder verdriet zelfs. Hij zei het zo: „Ik ken geen verdriet. Ik laat het niet toe, druk het altijd weg. Ik zie het als iets wat ik moet incasseren. Verdriet als project bijna.”

Bij mijn weten is Sjeng Schalken nooit met paard en kar, en in een bloemenzee, door een dorp gereden. Hij is gevierd noch geridderd. Waarom schaatsers wel, en Schalken niet? Hoe selectief is sportief Nederland in volksgunst? Flushing Meadows zal wel niet de banale hitserigheid van Thialf hebben, maar het is wel een arena waar wereldtoppers tegenover elkaar staan. En daar stond ook Sjeng Schalken, met aan de andere kant van het net zowaar Pete Sampras. Dan heb je bij het afscheid van een sportleven recht op een gala. Niet in Kessenich en niet in Rosmalen. In Ahoy sowieso niet. Deze pooiersenclave is zelfs niet meer door de gezant van ABN Amro, Richard Krajicek, tot vreugde te wekken.

Sjeng is van ons, Schalken is een roepnaam, verbonden aan een circuit, aan hallucinatie, aan een resem van sponsors. Wat blijft is: de eenzaamheid van puistjes. Daarmee kom je niet weg met een gala. En ook niet met een extreme knuffel. Doodgaan in extase, zo hoort het, maar het zal deze tennisser niet overkomen.

Sjeng is monument in een woestijn. Altijd weer nomade in een vorig leven. In een land met ander licht. Hij kijkt naar de lente, naar de koeien die, opeens, ongegeneerd, als vanouds, weer naar buiten komen.

Sjeng denkt: „Wat is het goed, in Limburg.”