Cacaofantasie

In Ivoorkust zouden kinderen onder dwang cacao oogsten. Maar kindslaven bestaan niet. „Men vindt het zo’n goed verhaal, dat het steeds opnieuw wordt opgerakeld.”

Het vruchtbare zuiden van Ivoorkust is een mengeling van zacht glooiend boerenland en rafelige stukken oud bos. Overal langs de wegen, soms zover het oog reikt, soms in schuchtere groepjes, duiken de rood-groene, licht neerhangende bladeren van de cacaoboom op. Van de berm leiden smalle voetpaden van vochtige aarde de cacaoboomgaarden in. Het bladerdak biedt beschutting tegen het felste zonlicht. Aan de kronkelige, dunne stammen groeien ovale vruchten die twee keer per jaar geoogst moeten worden. Na vijftig jaar planten heeft cacao bij de boeren nog niet aan populariteit ingeboet. Ivoorkust is de grootste cacaoproducent ter wereld: ieder jaar komt hier veertig procent van de bonen vandaan.

Koffie is helemaal uit. Jean-Boris Gally, een jonge boer op rubberlaarzen, stapt van de koelte van de cacaoboomgaard een asgrauwe, smeulende helling op. Al z’n koffiestruiken zijn tegen de vlakte gegaan. Dat gedoe met die besjes. De veel te lage prijs. „Hier ga ik rubberbomen planten”, zegt Gally met een zwaai van zijn machete. Zijn halfbroer en zijn Burkinese knecht, een man van middelbare leeftijd, mompelen instemmend. Dat de cacaobomen ondanks de lage cacaoprijs wel blijven staan, is logisch, vindt Gally. „Cacao is makkelijk. Ik doe het van jongs af aan en vind het geen zwaar werk.”

Gally is een van de 700.000 cacaoboeren op wie de economie van Ivoorkust drijft. Met zijn broer, halfbroer, neef en twee landarbeiders – een Ivoriaan en een Burkinees – deelt hij een erf met hutten van aangestampte aarde en een gat in de grond met een schutting van verroeste golfplaat eromheen als wc. De knechten pachten een stuk grond en helpen mee op de plantage. Als grondeigenaar is Gally de baas, maar de opbrengst van de oogst wordt verdeeld. Cacao houdt het collectief in leven.

Na de dood van zijn vieux, zijn vader, keerde Jean-Boris Gally de grote stad de rug toe om de plantage over te nemen. Ook de Ivoriaanse landarbeider, een lange, pezige man, spreekt het verzorgde Frans van een stedeling. Onder een afdak van palmbladeren worden de laarzen uitgetrokken en sigaretten tevoorschijn gehaald. Gally pakt een jerrycan verse palmwijn en deelt de beker rond. Het leven in de stad is duur en banen zijn schaars geworden, vertelt hij. Daarom is hij blij dat hij het boerenvak jong heeft geleerd. „Wij zagen onze ouders werken. We moesten allemaal mee naar het land. In het begin leek het best moeilijk. Maar als je jong bent, leer je snel. Het is goed als kinderen het boerenwerk leren. Wij zeggen altijd: als het dorp niets produceert, heeft de stad ook niets te eten.”

De plantage van Gally is zomaar een doorsnee boerderij in de cacaobelt van Ivoorkust. Wie van boerderij naar boerderij trekt, ziet steeds hetzelfde beeld, met kleine variaties in grootte en aantal arbeiders. Het staat haaks op het beeld dat een aantal media en hulporganisaties verspreidt: in Ivoorkust zouden kindslaven worden ingezet om te helpen bij het oogsten van cacao. Het is een verhaal dat in 2000 voor het eerst opdook en het jaar daarop het onderwerp werd van een mediahype. Het is ook een verhaal dat de hardnekkigheid van bepaalde westerse denkbeelden over Afrika illustreert. Bijvoorbeeld het idee dat zich overal op het continent onnoemelijke wreedheden afspelen, duistere verschrikkingen die zich onttrekken aan elke vorm van sociale controle.

Ivoorkust is een immigratieland. Sinds begin vorige eeuw trekken jonge mannen uit de regio er massaal naartoe. In de dorre Sahellanden groeit hooguit katoen; in het zuiden van Ivoorkust groeit alles, van mango’s en bananen tot koffie en rijst. Maar het is de cacao die de wolkenkrabbers van de havenstad Abidjan heeft doen verrijzen en miljoenen mensen in leven houdt. Ondanks lage grondstoffenprijzen op de wereldmarkt en torenhoge exportbelastingen blijven de boeren planten. Ze hebben geen keus. De cacao biedt niet alleen werk aan boeren en seizoensarbeiders, maar ook aan opkopers, vrachtwagenchauffeurs, jutezakkenmakers, kwaliteitscontroleurs, kunstmestverkopers en zakkensjouwers. Ivoorkust telt honderdduizenden cacaoboerderijtjes. Sommige boeren zijn Ivoriaan, andere allochtonen uit Mali of Burkina Faso. Ze bewerken lapjes grond die niet veel groter zijn dan een voetbalveld en waarop ze ook, om hun gezin te voeden, maniok of maïs verbouwen.

In 2000 zond het Britse Channel 4 een reportage uit waarin een paar jonge seizoensarbeiders werden geïnterviewd die vertelden dat ze geslagen waren door de cacaoboer bij wie ze in dienst waren. Ook zeiden ze dat ze de cacaoboerderij niet zomaar konden verlaten. De uitzending maakte weinig los. Hulporganisaties en Unicef probeerden op dat moment al een paar jaar aandacht te krijgen voor een fenomeen dat in VN-jargon te boek staat als kinderhandel: ouders die hun kind toevertrouwen aan een bemiddelaar die in een andere stad of een ander land voor werk of een opleiding belooft te zorgen. In West-Afrika brengen ouders geregeld hun kinderen onder bij zussen, broers, ooms of tantes die net iets meer geld verdienen of gunstiger wonen. Het grootbrengen van kinderen is een zaak van de hele familie, niet alleen van het individu. Het uit huis plaatsen van kinderen is in sommige arme landen gecommercialiseerd. Volgens Unicef worden jaarlijks 200.000 kinderen in de regio het slachtoffer van handel. Het gaat daarbij om een ruwe schatting. Statistieken bestaan niet. „De illegale aard van de kinderhandel maakt het moeilijk om te weten wat er speelt in die wereld”, zegt Martin de Beer, woordvoerder van Unicef Nederland.

Een jaar later, in 2001, barstte de mediastorm alsnog los. De aanleiding was een schip dat met Pasen rondzwierf voor de West-Afrikaanse kust. Twee havens hadden het schip geweigerd, volgens een Beninse krant omdat het volgepakt zou zijn met kindslaven. De westerse media sprongen er bovenop. Toen het ‘slavenschip’ uiteindelijk de haven van Benin binnenvoer, kon Unicef zijn haastig opgetrokken opvangcentrum weer afbreken. Er stapten 28 kinderen aan wal, bijna allemaal vergezeld door familieleden. De paniek bleek op niets gebaseerd. Hulporganisaties als het Amerikaanse Free the Slaves wisten de media echter voor een ander verhaal te interesseren: het vermoeden dat er op Ivoriaanse cacaoplantages kindslaven zouden werken. Kort daarna publiceerde het Amerikaanse krantenconcern Knight Ridder een uitgebreide reportage. Een journalist had een aantal Malinese jongens gevonden die tegen hun zin een jaar lang waren vastgehouden op een cacaoboerderij. Ze werden van ’s ochtends vroeg tot ’s avonds laat afgebeuld door een Ivoriaanse boer en met fietskettingen geslagen. De serie draaide om een 13-jarig jongetje dat een dramatische bekentenis had: „Ik weet niet wat chocola is. Dat heb ik nog nooit gegeten.” De reportageserie viel twee keer in de prijzen.

Niet alle artikelen die dat jaar verschenen, namen het even nauw met de feiten. Kinderen die in de leer gaan, kindsmokkel, mishandeling, uitbuiting, slavernij –- het werd allemaal op één hoop gegooid. Een verslaggever van The New York Times pakte het subtieler aan. Michael Finkel kwam naar Ivoorkust met een fors budget en de opdracht om cacaoslaven te vinden. Zijn speurtocht leidde naar het stadje Daloa, in het hart van de Ivoriaanse cacaozone. Daar werd Finkel via de lokale vereniging van Malinezen in contact gebracht met weggelopen Malinese kindslaven. Finkel kreeg een jochie te spreken met een verhaal dat ingestudeerd leek; hij interviewde jongens van 18 die zich beklaagden over het lage loon dat ze van de cacaoboer hadden gekregen.

Na weken vruchteloos zoeken naar echte slaven kwam Finkel uiteindelijk uit bij het jongetje dat centraal had gestaan in de Knight Ridder-serie. Maar die vertelde ineens een heel ander verhaal. Hij was geen 13, maar 18 jaar. En hij was niet wekenlang mishandeld met een fietsketting, maar een paar keer geslagen door de broer van de plantagehouder.

Terug in New York schreef Finkel een meeslepend verhaal over een niet-bestaande Afrikaanse jongen die een cacaoslaaf had kunnen zijn. Zonder reportage bij zijn hoofdredacteur aankomen durfde hij niet. Finkel viel door de mand toen een Canadese hulporganisatie het jongetje herkende wiens portret bij het artikel was geplaatst. Hij vloog er voorgoed uit. In het boek True Story over zijn geknakte carrière zegt Finkel dat hij ervan overtuigd is dat er geen of maar heel weinig kindslaven in Ivoorkust waren.

Niet dat zijn collega’s moedwillig hadden gelogen. In plaats daarvan, meent hij, waren hun verhalen gebaseerd op feiten die „geselecteerd, gemanipuleerd of verzonnen” waren door anderen. Het antwoord op de vraag waarom die anderen – met name de Malinese bemiddelaars – de waarheid dan hadden verdraaid of overdreven, heeft Finkel niet. Maar hij denkt dat de meeste journalisten toch niet bereid zouden zijn geweest het relaas van de jongens in twijfel te trekken. De combinatie van plantages, slavernij en chocola was gewoon te mediageniek. Finkel: „We were all being manipulated for our own needs.”

Waren de kindslaven een fabeltje? Maakten westerse journalisten een hype van een geïsoleerd incident? Waarom zeiden die jongens dan dat ze mishandeld waren? Zeker is dat Ivorianen zich flink kunnen opwinden over het gebrek aan nuance in buitenlandse berichtgeving over hun regio. Zij snappen niet waarom blanke journalisten alleen maar op ellende afkomen. In het kindslaven-verhaal zagen zij een complot dat Ivoorkust in een kwaad daglicht moest stellen. De verhouding tussen het rijke Ivoorkust en de veel armere buurlanden Mali en Burkina Faso was op dat moment toch al gespannen. President Laurent Gbagbo lag overhoop met Blaise Compaoré van Burkina Faso. Veel immigranten klaagden dat zij gediscrimineerd werden.

Klop met het onderwerp aan bij een tropische landbouwdeskundige, en je hoort ze denken: nee hè, niet wéér. Camilla Toulmin is directeur van het International Institute for Environment and Development (IIED) in Londen, een wetenschappelijk instituut dat zich richt op milieuvraagstukken en duurzame landbouw in ontwikkelingslanden. In 2001 was Toulmin met een team in Mali om jongeren te interviewen die op cacaoplantages hadden gewerkt. „Er zijn destijds enkele gevallen gevonden van kinderen die slecht behandeld werden en het lastig vonden om de boerderij waar ze werkten te verlaten”, vertelt Toulmin. „Maar er is nooit overtuigend bewijs gevonden voor wat door journalisten en non-gouvernementele organisaties slavernij werd genoemd. Neem de safe houses voor ontsnapte kinderen. We hebben ze bezocht en onderzoek gedaan. Wat bleek: ze hadden bijna niemand om op te vangen. Dus óf het ging maar om een heel klein aantal kinderen, of al die kinderen wisten te ontsnappen aan het vangnet van de mensen die hen probeerden te redden. Er zijn ongetwijfeld kinderen die onder slechte omstandigheden moeten werken. Maar om vervolgens te zeggen dat het grootste deel van de cacao in Ivoorkust op die manier geproduceerd wordt, is een absurde overdrijving.”

Het verwrongen beeld dat mensen in rijke landen van Afrika hebben, houdt de mythe van de kindslaven vermoedelijk in stand, meent Toulmin. „Ondanks gebrek aan bewijs vindt men het zo’n goed verhaal dat het steeds opnieuw opgerakeld wordt. De media in Engeland, en misschien ook wel bij jullie in Nederland, lijken een onverzadigbare behoefte te hebben om Afrika voor te stellen als een soort zwart gat waarin de meest vreselijke dingen gebeuren. Het is het cliché van Afrika als een gruwelijk continent. Dat is kennelijk wat mensen graag willen horen.”

In West-Afrika is kinderarbeid een issue waar weinig mensen warm voor lopen. Werkende kinderen zijn normaal, op het platteland en in de stad. Boerenkinderen leren het vak door mee te helpen op het land. Kinderen in de grote stad zijn vaak slechter af. Ze verkopen kauwgom, poetsen schoenen of werken in de huishouding. Niemand kijkt op van meisjes van 13, 14 jaar die in ruil voor een slaapplaats op de keukenvloer een heel huishouden draaiende moeten houden. Hoe armer het gezin, des te groter de kans dat een kind moet werken en niet naar school kan. Onderzoek van het International Institute for Tropical Agriculture (IITA) in 2002 wees uit dat 98 procent van de cacaoboeren in Ivoorkust die kinderen inschakelden, hun eigen kinderen inschakelen. Unicef heeft de term kindslaven ingetrokken. Waarom? Omdat het woord de lading niet dekt, zegt woordvoerder Martin de Beer. „Er zijn kinderen die op cacaoplantages werken, daar zijn kinderen bij die als seizoensarbeider werken, en er zitten soms kinderen tussen die verhandeld zijn.”

De Franse landbouweconoom François Ruf doet sinds 1979 onderzoek in de cacaosector. Zijn teams trekken een paar keer per jaar langs de boerderijen in Ghana en Ivoorkust. Eerst wil hij rechtzetten wat mensen bedoelen als ze het over kinderen – enfants – hebben. „Enfants is in Franstalig Afrika een verzamelwoord voor jongeren onder de twintig, net zoals iedereen boven de veertig met vieux wordt aangeduid. Je kunt het beter over adolescenten hebben. Als er al enfants worden ingezet, zijn ze doorgaans tussen de 15 en 18 jaar. Verder wordt beweerd dat werken op een cacaoplantage zwaar is. Dat is overdreven. Het zwaarste werk, zoals het kappen van bomen, wordt niet aan kinderen overgelaten, want die zijn niet sterk genoeg.”

Ruf, die wereldwijd geldt als een expert, doet zelden harde uitspraken. Het klopt, zegt hij, dat de gemiddelde leeftijd van seizoensarbeiders is gedaald na het instorten van de prijzen op de wereldmarkt. De meeste cacaoboeren knopen met moeite de eindjes aan elkaar en huren als het moet liever een jonge man dan een volwassene in. Desondanks noemt Ruf de ophef over de kindslaven een typisch geval van massahysterie. „Je kunt gevallen van mishandeling nooit honderd procent uitsluiten”, zegt Ruf, die jaren in Ivoorkust heeft gewoond en sinds 2003 gevestigd is in Ghana. „De vermeende misstanden in de cacao zijn niet schrijnender dan in andere sectoren in Afrika. Dat jonge mannen wegtrekken uit Burkina Faso, Mali en Togo in de hoop elders een beetje geld te verdienen en aan hun misère te ontsnappen, is een armoedeprobleem. Inderdaad, ze verdienen soms maar 150 euro per jaar. Dat is nog altijd tien keer zoveel als ze in hun eigen land verdienen. Als je het wilt chargeren: dankzij de cacao verdienen ze tenminste nog iets.” Ruf denkt dat de kwestie is aangeslagen bij een breed publiek omdat de chocolade-industrie een herkenbaar doelwit is. Het beeld van multinationals die profiteren van arme Afrikanen bevestigt immers precies wat de kritische consument al denkt.

Omdat het ontkennen van het bestaan van cacaoslaven hen in de ogen van de consumentenlobby juist verdacht maakte, hebben de grote chocolademakers het op een collectief zwijgen gezet. Maar de media-aandacht voor de cacaoplantages heeft grote gevolgen gehad. In 2008 moet Ivoriaanse cacao die naar Amerika geëxporteerd wordt, voorzien zijn van een certificaat dat de herkomst van de bonen vermeldt en garandeert dat er geen zware kinderarbeid bij de productie is verricht.

Het idee komt van twee Amerikaanse senatoren die in 2001 dreigden met een boycot van Ivoriaanse cacao. Hoewel de industrie hen ervan wist te overtuigen dat een boycot miljoenen boeren aan de bedelstaf zou brengen, zag zij zich gedwongen in overleg te gaan met actiegroepen. Omdat niemand kon aantonen dat er sprake was van structurele slavernij, richtten hulporganisaties zich op de arbeidsomstandigheden op de boerderij. Uiteindelijk werd een protocol opgesteld dat de ergste vormen van kinderarbeid van cacaoplantages moet uitbannen. Daaronder valt het gebruik van kapmessen en het sproeien van pesticiden door kinderen.

Het protocol is ondertekend door de industrie, de regering van Ivoorkust, de International Labor Organization (ILO) en tal van hulporganisaties en consumentengroepen. Met het oog op 2008 financieren de grote chocoladebedrijven een project in Ivoorkust dat kinderarbeid in kaart brengt en de boer ervan doordringt dat hij zijn kinderen naar school moet sturen.

Veel boeren kijken vreemd op als ze te horen krijgen dat ze hun kinderen thuis moeten laten, zegt projectleider Georges Bredou, die in het oosten van Ivoorkust een aantal dorpen onder zijn hoede heeft. „Ze snappen het niet altijd, want hun kinderen hebben altijd al meegeholpen en nu zeggen wij ineens dat het niet mag. Maar als wij zeggen: je moet wel, anders gaan ze je cacao boycotten en verdien je niets meer, ja, dan luisteren ze wel.”

Dit soort initiatieven zal de kloof tussen de wereld van de Afrikaanse boer en die van de Westerse consument voorlopig niet dichten, verzucht landbouweconoom François Ruf. „Afrikaanse kinderen leren van jongs af aan met kapmessen om te gaan. Wij in het Westen vinden dat een eng gezicht, maar ik heb nog nooit boerenkinderen gezien die zichzelf ernstig hadden verwond. Zeker, veel kinderen op het platteland gaan niet naar school. Maar is dat de schuld van hun ouders? En stel nu dat het lukt om alle jongeren van de cacaoplantages te sturen. Wat moeten die dan gaan doen? De mijnen in? De visserij? Ja, het zou prachtig zijn als ze allemaal naar school konden. Maar wie West-Afrika kent, kent ook het grote leger afgestudeerde werkloze jongeren. Een diploma zal ze lang niet allemaal redden van de armoede.”