Bibelebonse berg

Hoe gaat het, José?Jansen staat aan de kantinebalie. José koopt chocomel, hij een kadetje. Jansen is oud-mentor. Dat José geen antwoord geeft, is niet gewoon.

Is er iets? vraagt hij.

José haalt haar schouders op. Heeft u een uurtje? vraagt ze.

Jansen heeft wel een uurtje maar zij, ze heeft toch les? Nee, geen les, zegt ze. Ik moet zelfwerken. Jansen merkt op dat zelfwerken ook school is, maar die opmerking komt niet aan. Ze gaan buiten zitten.

Je klinkt niet helemaal vrolijk, zegt Jansen. Thuis alles goed?

Thuis is alles heel goed.

En op school?

José zwijgt. De bel is gegaan. Het plein stroomt leeg.

Spijbel je nu?

Weet ik veel.

Wat is er aan de hand? Slechte cijfers? Ruzie?

José zucht. Ze baalt van school.

Dat is normaal in de vijfde beweert Jansen. School is niet altijd leuk.

Ik loop achter, zegt José.

Jansen knikt. Jíj loopt achter?

José, de perfectioniste, het dyslectische supertalent wiskunde dat toch geen exact profiel koos. Jansen vraagt door. Zijn mentorschap ontwaakt. Geen onvoldoendes. Een berg aan praktische opdrachten. Boekverslag, plakboek, scriptie. Het economieboek nog in de verpakking.

En toch ga je gewoon naar de zesde, zegt Jansen. Je kunt het.

José knikt. Er zijn tranen verschenen.

Je doet precies genoeg om het te halen. Is dat niet slim en goed?

Nee. Dat is niet slim en goed. Dat is het precies. Ze haalt zessen. Ze wil geen zessen halen, maar het kan niet anders, het werk is te veel. De tranen blijven komen.

En je mentor? vraagt Jansen.

Het antwoord duurt even. Er is nog geen gesprek geweest dit jaar. Met José gaat immers alles goed. José haalt toch voldoendes? Ze merken niet eens of ik op school ben.

Jansen voelt zich kwaad worden. Zijn school. Zijn ex-mentorleerling. Van een zonnige, leergierige derdeklasser veranderd in een meisje dat niet in staat is te doen wat ze wil kunnen.

Ken je Sammy? zegt hij opeens. Een liedje van Ramses.

Ramses?

Vraag maar aan je ouders. Ik wil dat je eerst naar Sammy luistert.

En dan?

Dan zoek je op wat een Bibelebonse berg is.

Een wat?

Jansen spelt het woord. Daarna wil hij verder praten, zegt hij. En trouwens, José zie je niet iets?

Zie ik iets? Ze kijkt rond.

Ja, zegt Jansen. Kijk maar goed. Het wordt voorjaar.