Zoek mij niet waar de mirten bloeien

Sprakeloos water. Spiegel van de moderne Jiddische poëzie. Samengesteld en vertaald door Willy Brill. Meulenhoff, 406 blz. € 39,90

Na lezing van Sprakeloos water. Spiegel van de moderne Jiddische poëzie is er geen andere conclusie mogelijk: de moderne Jiddisje poëzie, waarvan de oorsprong ligt in het Oost-Europa van rond 1900, is werkelijk modern, vol levenskracht en vaak van hoog niveau. Des te moeilijker valt het te beseffen dat het ooit zo vitale Jiddisj inmiddels vrijwel is verdwenen. En niet uitsluitend door toedoen van Hitler en Stalin. Om met een van de grootste Amerikaans-Jiddisje dichters, Jacob Glatstein, te spreken:

Onze kinderen spelen stommetje

Jiddische vloeken, treurende juwelen,

Liggen dof in een stoffig trommeltje.

In dat stoffige trommeltje ligt ook de Jiddisje poëzie. Vertaalster en samenstelster Willy Brill heeft die eruit gehaald en toegankelijk gemaakt voor een Nederlands publiek. Ze laat zien hoe Jiddisje auteurs zich ontdeden van hun religieuze en provinciaalse kluisters. In Oost-Europa en Amerika ontstonden literaire bewegingen. Schrijvers reisden druk heen en weer en publiceerden in elkaars tijdschriften. Daarom doet het geforceerd aan dat Brill de poëzie heeft onderverdeeld in geografische categorieën: Oost-Europa, Sovjet-Unie, Amerika en Israël. Verder is het jammer dat de gedichten ongedateerd zijn, waardoor niet is na te gaan welke invloed ingrijpende gebeurtenissen als de Russische Revolutie of de Tweede Wereldoorlog hebben gehad op een bepaalde dichter.

Aan de vormgeving van Sprakeloos water is veel aandacht besteed. Dat geldt niet voor de eindredactie. De plaatsnaam Czernowitz wordt op vier manieren geschreven, Poolse namen zijn onjuist gespeld, en de schrijver Chaim Grade kent twee geboorte- en twee sterfjaren. Niettemin heeft Brill pionierswerk verricht. De oorspronkelijke gedichten zijn naast de vertalingen afgedrukt in Nederlandse transcriptie, zodat ook iemand die het Hebreeuwse alfabet niet kent ze kan lezen en er iets van kan begrijpen. Brill probeert dicht bij de tekst te blijven zonder het ritme en de muzikaliteit uit het oog te verliezen. Soms heeft ze te veel respect voor de originele taal. Zo vertaalt ze op p. 54-55 ‘Jidn glikleche’ (‘Gelukkige joden’) met: ‘Joden met mazzel’. Maar in het algemeen laten haar vertalingen zich lezen als originele gedichten.

Veel Jiddisje dichters wilden groots en meeslepend schrijven. Tegelijkertijd hadden ook de meest vrijgevochten auteurs een degelijke religieuze opleiding genoten, hetgeen terug te vinden is in de talrijke verwijzingen naar de joodse traditie. De poëzie van de flamboyante Rus Perets Markisj (1895-1952) doet denken aan het vitalisme van Marsman. Naar aanleiding van een pogrom in de Oekraïne in 1920 schreef hij ‘De grafheuvel’, dat zo begint:

Nee! Hemelse olie, zalf niet mijn kleffe baarden,

Uit al mijn monden gutsen bruine stromen teer,

roestbruin gistend bloed en zaagsel.

Nee! Raak niet aan het braaksel op de zwarte dijen van de aarde.

Ga weg! Een stank ontstijgt mij, op mijn lijf krioelen kikkers!

Je zoekt je vader, moeder hier? Je zoekt je vrind?

Ze zijn er, ja, ze zijn er, maar ze stinken in de wind!

Weg! Ze ontluizen zich onhandig met koper-kromme vingers…

Net als veel Russisch-Jiddisje collega’s begroette Markisj de Russische Revolutie met enthousiasme. Al gauw mocht er echter alleen nog maar literatuur geschreven worden die de klassenstrijd verheerlijkte.

In Polen was het klimaat gunstiger. Een favoriet van Brill is de lyrische dichter Itzik Manger (1901-1969), van wie veel gedichten op muziek zijn gezet en nog steeds gezongen worden. Heel populair waren zijn ‘Choemesj-lider’, humoristische gedichten over Bijbelse thema’s tegen het decor van een Oost-Europees sjtetl.

De oorlog betekende het einde. Maar niet onmiddellijk. De partizanenstrijder Jitschak Katznelson (1886-1944) schreef eind 1943 ‘Lied van het vermoorde joodse volk’, een loodzwaar episch gedicht over de opstand in het getto van Warschau. Avraham Sutzkever (1913), verzetsstrijder en partizaan, schreef in het getto van Wilna zo poëtisch over de gruwelijkheden dat ze nauwelijks opvallen, en daardoor des te harder aankomen. Maar Brill heeft van Sutzkever alleen gedichten opgenomen van voor de oorlog, en van daarna, toen hij in Israël woonde.

De eerste dichters in Amerika waren straatarme immigranten, zoals blijkt uit de melodramatische sweatshop-poëzie van Morris Rosenfeld (1862-1923): ‘Zoek mij niet waar de mirten bloeien –/ daar vind je mij niet, liefste mijn./ Waar levens kwijnen bij machines/ zal mijn laatste rustplaats zijn.

Van een heel ander niveau was Jacob Glatstein. Hij probeerde de chaos van de menselijke geest in zijn poëzie te vangen en experimenteerde met taal en dichtvorm. Na de Tweede Wereldoorlog greep hij terug op beelden uit de joodse traditie om uiting te geven aan zijn verbijstering. Brill heeft hiervan jammer genoeg niets opgenomen. Wel het liefdesgedicht ‘Als moede bomen’, dat zo begint:

Naakte Eva deelde met mij

de laatste appelbeet.

God vermomde zich discreet

in een elektrische schakelaar.

Ik raakte hem aan

en er was licht

tussen mij en haar.

Een van de beste vrouwelijke dichters, Kadya Molodowsky, schreef kort na de oorlog een indrukwekkend gedicht waarin ze God vraagt om een ander volk uit te verkiezen; het joodse volk is ‘moe van dood en sterven’. Een fragment: ‘Genadige God/ heilig een ander land,/ een andere berg./ Wij hebben alle velden, elke steen/ al onder heilige as bedolven./ Met grijsaards,/ jeugdigen/ en zuigelingen hebben wij betaald/ voor iedere letter van uw tien geboden.’

Ook in Israël ontstond door de komst van overlevenden een Jiddisje literatuur – al was de taal er niet populair. De meeste dichters zijn inmiddels overleden, maar onder de latere immigranten uit de voormalige Sovjet-Unie zijn zowaar ook nog een paar Jiddisjtaligen, zoals Lev Berinski (1939). Hij schreef ‘Experimenten met de elementen’:

Leg je de zon op de rails – de trein rijdt over hem heen

als door een plas – tot aan de lichtende drijfstang.

Leg je de nacht op de rails – de trein rijdt erdoor

als een feestelijke duikboot – naar een eeuwig niet- zijn.

Leg je een jood op de rails – de trein zet zich schrap

tegen zijn schouder en knie – en snatert en waggelt en slaat

als een mannetjesgans

met zijn vleugels.

En de jood staat op met een glimlach: ‘Noe, rijen maar weer… hopla…’