Word ook Culturele Burger!

De Raad voor Cultuur pleit voor cultureel burgerschap als grondslag voor de samenleving. Een Culturele Burger ging op onderzoek uit naar het hoe en waarom.

Goddank, weekend! Dagen waarop het bestaan van de Culturele Burger weer zin krijgt. Twee dagen aan de oplader. In bed de vrijdagbijlages en zaterdagkranten verkennen. S. brengt een dampende espresso. Laptop aan, geen berichten.

We gaan naar Amsterdam, alles is geregeld. Even na 11 uur lopen we het Stedelijk CS binnen, op weg naar de expositie Mapping the City, vastbesloten ons Cultureel Burgerschap uitbundig te vieren.

Begin deze maand

bracht de Raad voor Cultuur, het adviesorgaan van de minister van Cultuur, een lijvig advies uit waarin cultureel burgerschap centraal staat. Over wat de Culturele Burger wel en niet weet. En hoe ik te weten kom wat ik zou moeten weten. Over wat ik kan en niet kan. Over hoe ik oordeel en waarom.

René Boomkens, de filosoof in de zevenpersoons raad, legt me uit dat burgerschap vanouds gaat over formele rechten en plichten. Over hoe de burger zijn geld besteedt en dat hij mag stemmen, over economie en politiek. Maar sinds enkele decennia heeft burgerschap ook een culturele component. De raad gaat het met name om „het vermogen om te gaan met de overvloed aan informatie in de wereld”, zegt Boomkens. „De Culturele Burger weet hoe media werken, wat de regels en de wetten zijn. Hij beseft of hij wel of niet vertrouwen kan hebben in de informatie die hij krijgt aangereikt via kranten, tv en internet. Hij kan het onderscheid maken tussen nieuws, een documentaire en fictie. Hij snapt het verschil tussen een opinieblad en een bedrijfsblad.”

Kinderen moeten in die wijsheid worden onderwezen, volgens Boomkens. Dat kan geen kwaad, getuige bijvoorbeeld de eerste zinnen van de dvd-recensie van Borat in NRC Next deze week: „God, wat is het leven van een kijker moeilijk geworden in deze tijden van driedubbele ironie en viervoudige camp. Je kunt niet alleen onmogelijk zeker weten of je kunt vertrouwen wat je ziet, je kunt ook niet eens meer zeker weten wanneer je belazerd wordt. Is het echt of ingestudeerd verdriet dat je ontroert?”

De Culturele Burger voelt zich zelfverzekerd genoeg deze zaterdag. Vanochtend zei ik het nog tegen mijn burgerspiegel: „Voor het grijpen van de teugels van de wereldmedia, voor het oprichten en indelen van een nieuwe digitale democratie, voor het werken om niet en het verslaan van de professionals op hun eigen terrein maakt Time Jou de Persoon van het Jaar 2006.”

De Raad voor Cultuur citeert het Amerikaanse tijdschrift ook: om eraan toe te kunnen voegen dat het zich er te makkelijk vanaf maakt. Ben Jij wel een echte, goed geïnformeerde, met cultuur geladen Culturele Burger, is de vraag. Om er echt bij te horen is mediawijsheid geboden. Het gaat om de kennis, vaardigheden en mentaliteit waarmee burgers zich bewust, kritisch en actief kunnen verhouden tot een ingewikkelde, veranderlijke en fundamenteel gemedialiseerde wereld. Dat is een barrière die moet worden genomen. De wereld is in de eerste plaats een gemedialiseerde wereld, zegt de raad, en dat betekent werk aan de winkel: Cultureel burgerschap komt op internet niet aangewaaid.

Het duistere

Electric Earth van Doug Aitken is duidelijk fictie. Op zes muren en tussenwanden van een verdonkerde ruimte in het museum wordt zijn video vertoond. Een jongen ligt uitgeteld op bed. „Vaak dans ik zo snel dat ik in mijn omgeving opga”, mompelt hij. „Ik absorbeer die energie, alsof ik het opeet.” Hij wandelt en danst over donkere, verlaten straten. Voor de Culturele Burger doet unheimisch Los Angeles vertrouwd aan – bekend van film, tv en rap.

Nee, dan Valie Export. Op een video zien we haar met haar Tapp- und Tast-Kino, een voelvariatie op de kijkdoos. Voor haar ontblote bovenlijf hangt een doos met twee afgedekte gaten waardoor passanten op straat hun handen kunnen steken om haar borsten te betasten – als het tenminste echt haar borsten zijn waar ze op stuiten. Niet kijken, maar voelen. Mannen doen het. Waarom gaan vrouwen niet voelen, vraagt S. Dat zou pas pervers zijn, opper ik.

Spannend en schaamtevol wordt de act door de botsing tussen de onthechte blik van Valerie en de domme grijns van de mannen. Dat ze zich zo durven blootstellen aan de camera. Zou dit als ‘feministische actie’ in de kunstgeschiedenis versteende werk nog eenzelfde vervreemdend effect hebben als het weer werd uitgevoerd? Of hebben ranzige tv-programma’s (zoals Wendy van Dijks Over de rooie bij SBS6 eind jaren negentig) aangetoond dat de schaamte van veel medeburgers over een kritieke grens is teruggedrongen? Soms is het jammer dat kunst zich niet wil of mag herhalen.

Bij het Joods Historisch

Museum moeten we door een detectiepoortje. Hoe lang staat dat er al? Binnen is het druk. Het publiek dromt samen bij de vertoning van een documentaire over het leven van Robert Capa, de fotograaf wiens werk we gaan bekijken. Een oudere vrouw zegt over hem dat ondanks zijn vele vluchtige liefdes er altijd iets van „innerlijke weemoedigheid” bij hem zichtbaar bleef. Als vrouwen dat na je dood over je zeggen, was je een briljante rokkenjager.

Een briljante fotograaf was hij ook. Aanwezig bij talrijke historische momenten in zijn tijd: de Spaanse Burgeroorlog, de Chinees-Japanse oorlog, de invasie in Normandië, het uitroepen van de staat Israël, het leven in de Sovjet-Unie. Allemaal echt, uit de tijd van echt nieuws met weinig beelden.

Bij Capa’s beroemde foto van de kaalgeschoren Française die, met het kind van een Duitse soldaat in de armen, door de straten wordt opgejaagd en uitgejouwd door de bevrijde bevolking – icoon van vergelding van collaboratie – vraagt S. of die vrouw niet misschien verkracht is. Dat wisten de omstanders echt wel, zeg ik. Ik weet het, weet ik. Denk ik. Je bent een kind van de Joegoslavische oorlog, voeg ik eraan toe. De Joego’s deden aan verkrachten in plaats van schieten. En, als grapje: „Ik ken mijn Zwartboek.”

Maar nu verkrachting een ingeburgerde oorlogshandeling is geworden, zal de vraag vaker gesteld gaan worden. De blik op deze foto zal veranderen.

Voor het eten is er

nog tijd voor een bezoekje aan de cd- en dvdwinkel. Dvd’s kopen is een nieuwe ziekte. Een ergerlijke vorm van consumentisme, zeker nu de berg ‘ongekeken’ in de kast in rap tempo de rijen ‘ongelezen’ aan het inhalen is. Maar de Culturele Burger rept zich met ware doodsverachting naar de Dag des Oordeels, waarop gevraagd zal worden: wat hebt u gezien, gelezen, gehoord? Niet genoeg! Niet genoeg! luidt het knellende antwoord.

Ik koop een seizoen The Wire. Twee jaar geleden heette deze politieserie in deze krant al geniaal te zijn, maar mijn aandacht werd een dag eerder geactiveerd door Gawie Keyser, bij een debat in De Balie over populaire cultuur. Keyser, auteur van een inspirerende Encyclopedie van de populaire cultuur, accepteert geen scheiding tussen hoge en lage cultuur. Populaire cultuur – thrillers, detectives, sitcoms, televisiedrama, pop, games, comics en strips – moet worden beoordeeld als alle kunst. Hij vindt de Raad voor Cultuur aan zijn zijde. Die wil evenmin onderscheid meer maken tussen hoog en laag bij het streven om cultuur te stimuleren, zegt raadslid Boomkens. „Wij zeggen niet dat Frans Bauer minder belangrijker is dan de Mahler-cyclus van het Concertgebouworkest. Het pleidooi voor cultureel burgerschap is geen beschavingsoffensief, maar een kwestie van maatschappelijke noodzaak. De verheffingsgedachte heeft een patriarchaal trekje.”

Alle burgers vergaren

een „persoonlijke, culturele uitrusting”, schrijft de raad. Dat stelt hen in staat als culturele burgers met elkaar te leven en binnen zo’n gemeenschappelijk verband ook zichzelf te zijn. Deze maatschappelijke noodzaak van cultuur wordt ook beschreven door de Engelse socioloog Nick Stevenson, een van de academici die de laatste jaren schrijft over cultureel burgerschap. Zijn studie Cultural citizenship heeft de raad geïnspireerd, al hebben zijn opvattingen geen directe invloed uitgeoefend, zegt Boomkens.

Toch zijn er duidelijke lijnen. Stevenson betoogt dat cultureel burgerschap geen zaak is van bepaalde groepen of sociale klassen: „We are all hybrids now.” Dat uit zich in ons gedrag. Maar, zegt Boomkens, „het cultureel burgerschap is geen norm, het is een grondslag, een algemeen ideaal.”

De Culturele Burger doet zich te goed aan tv en strips en aan moderne kunst en gesubsidieerd toneel. Daarbij, is de analyse van Stevenson, heeft consumptie productie verdrongen als wezenskenmerk van onze samenleving. Hij citeert Baudrillard, die stelt dat we symbolen en beelden harder nodig hebben dan de producten zelf. Ik koop een dvd-box om „begeerlijk, jeugdig, seksueel en anders” te zijn. En verrek, als ik naar buiten loop...

„De Consumentenmens wordt opgejaagd door de angst ‘iets te missen”, verklaart de Franse filosoof. Is wat wij willen ingeruild voor wat zij willen? Is mijn authentiek verlangen niet meer dan waar bedrijven mij toe verleiden? De Culturele Burger zoekt schoonheid – alles wat mooi is van vorm of inhoud. Maar hoe goed kent de Culturele Burger zichzelf?

Ik geloof de recensenten die mij de kwaliteit van The Wire voorspeld hebben. Oké, The Wire is onbekend, niet op tv, en beschikt dus over een aantrekkelijk exclusiviteitsappeal. Ken je die serie niet? Moet je echt zien. Een keer lenen? Zo beschouwd stapelen de ‘sociale subdoelen’ zich op.

Voor Stevenson houdt

cultureel burgerschap niet op bij het werk van kunstenaars. Integendeel. In het hart van dit concept ligt de wens om te communiceren. Daartoe moet de burger zich richten op manieren om anderen te horen en te zien.

De Culturele Burger stelt vragen: hoe is het mogelijk solidair te blijven en jezelf te blijven, oftewel: hoe kun je rechtvaardigheid nastreven en toch verschillen erkennen? Hoe houdt de Culturele Burger zich staande in de storm van ontwikkelingen in communicatie, migratie, globalisering en tegenover de agenda’s van moralisten, staten en neoliberale economen? Hoe blijft of wordt de Culturele Burger kosmopoliet onder de uitdagingen van het fundamentalisme?

Op zulke kwesties lijkt Tragedie, het nieuwe stuk van Gerardjan Rijnders, ook te willen ingaan. Nog vol met haastig verorberde Japanse vis kijken we naar een groepje stuurloze westerlingen, gekleed in harde kleuren, aan de rand van een bassin. Eén man is halfnaakt en draagt een kartonnen kroon. Mijn blik kleeft zich vast aan zijn enorme pens. Een naakte, verlaten King Lear, denkt de Culturele Burger, die niet buiten zijn eigen benauwde denkraam komt. Altijd andere kunst in kunst zien. Toch is die buik de voorstelling.

In het bassin mogen bange mensen, gekleed in het zwart, ronddolen, roepen om elkaar en roepen om hulp. Maar die pens denkt aan zichzelf, bang om het volgende hapje te moeten delen. Zeker als de wereld om hem heen ontploft. Letterlijk.

De zwakte van het stuk is dat het niet meer doet dan een spiegel voorhouden. Het publiek krijgt op zijn kop. Hoe vaak wordt onze zelfgenoegzaamheid ons niet ingepeperd? Fataal is dat de voorstelling van de rennende anderen echt buitenstaanders maakt. Ja ja, zo gaat dat met asielzoekers. Maar wie wil nadenken over wat mensen opgenomen of uitgesloten doet worden, krijgt geen antwoord. Laat staan een vraag.

Mij greep het niet, zegt S, als we naar muziekclub Bitterzoet lopen. Mij wel, zeker als die dikkerd na elke explosie weer riep: Special effect!’, antwoord ik. Heel irritant. Driedubbele ironie of weer de mens die geen echte ervaring meer kan hebben en alles smoort in verveeld commentaar?

„Kunst kán irritant en storend zijn”, weet Boomkens. „Maar het is onze taak ook ruimte te scheppen voor tegenspraak en experiment. Door te leren daar mee om te gaan draagt kunst bij aan de democratische gezindheid.”

In Bitterzoet is het Crimejazz-avond, met spoken word en muziek. Het duo Maaike en Jon maakt melodieuze liedjes, die erg opknappen van haar kristalheldere stem. Het duo Koffie verkeerd bestaat uit de Marokkaanse Raja Felgata en de Hollandse Lutein van Kranen. Hun als ‘urban cabaret’ aangekondigde act blijkt een bloedserieus twistgesprek over elkaars vooroordelen. Heel hip thema en heel ouderwets vormingstheater. Medusa, high priestess of hiphop en de hoofdact uit Amerika, heeft afgezegd, dus Tamar-kali sluit af met haar slepende rock. Dat ze als zwarte vrouw een hanenkam draagt maakt het wel bijzonder – behalve het illustere Bad Brains ken ik geen zwarte punkers. En wie heeft er nog een hanenkam?

Bij Toomler krijgen we tegen twaalven het laatste tafeltje voor een feestelijk sluitstuk van de dag. Jonge comedians die ons hard laten lachen, ook al kampen ze bijna allemaal op driekwart van hun korte act al met materiaalgebrek. Ze grappen over de dommigheid van Hyves en TMF (Emilio Guzman, het broertje van), blowen en Wilders (Martijn Koning), gothic en blind dates (Henry van Loon), Jan Smit en Rembrandt de musical (Thijs van Domburg). De lijzige Wouter Meijs houdt het bij zichzelf: „Tijdens mijn optredens/ vallen er veel doden/ in arme landen.”

De zomertijd komt slecht

uit. Weg zondagochtendlijke leestijd. De Culturele Burger vreest nooit uit het moeras tussen pagina 500 en 600 van A.F.Th.’s Het schervengericht te geraken. Al drie weken muurvast.

De zon negerend bezoeken we in Rotterdam – de andere kant van de Nederlandse culturele as – de bioscoop Cinerama, om Babel in te halen. Overal te weinig tijd voor, de Culturele Burger. In Babel steekt wat plompe Tragedie, als de egoïstische Amerikaanse toeristen wegrijden in hun touringcar bij Brad Pitt en zijn gewonde vrouw in een Marokkaanse dorp. Maar verder toont het scherp de conflicten rond ‘opgenomen worden’ en ‘uitgesloten zijn’, tussen ik en het vreemde. In een doof Japans meisje, radeloos eenzaam tussen de horenden. In het zand dat een hightech Amerikaanse helikopter doet opwerpen bij het ophalen van de vrouw, als beeld van de vooruitgang die alleen de eigen burgers van dienst is.

Halverwege de middag met de watertaxi naar Hotel New York voor het emigratiefeestje van P. en I., die naar Boston vertrekken waar P. een Amerikaans internetbedrijf gaat leiden. I. twijfelt nog of ze het hoofd wil worden van de Amerikaanse tak van VIP Paycheck, een bedrijf dat salarisinformatie levert over beroemdheden. Zo kun je op websites lezen dat Brad Pitt 88 duizend euro per dag zou verdienen, rapper 50 cent 144 duizend en filmproducer George Lucas 827 duizend. Ik herhaal: per dag. Terwijl Poetin zich, volgens een site, elke dag afbeult voor – officieel – het uurloon van een Hollandse handwerkman (232 euro). I. is altijd vrolijk, zegt ze, maar ze twijfelt of dit werk haar voldoende voldoening gaat schenken.

Ik twijfel of kennis van salarissen – typisch internetdingetje – onmisbaar is voor de Culturele Burger. Ten opzichte van mondiale ontwikkelingen zullen burgers zelf hun positie moeten bepalen en zelf moeten kiezen hoe ze reageren, schrijft de raad. Is dit mediawijsheid? Is het ordinair of geeft het perspectief? Het geeft tenminste een indruk hoe lucratief de globalisering van de entertainmentindustrie is. Iedereen op de wereld wil die raps horen en die films zien. In Babel dansen de Japanse tieners in de disco op een oude Phats and Small-remix van een stokoude Earth, Wind & Fire-hit. Straks volgen de Chinezen hen. Ook zij raken vast verslingerd aan Star Wars. Als producer Lucas tegen die tijd elke maand 100 miljoen in zijn loonzakje vindt kan hij daarvan precies een Chinees schilderij kopen of een museum laten bouwen. George Lucas is straks rijker dan Afrika. Hoe verzet je je tegen de verlamming die uitgaat van die informatie?

Onverschilligheid is ook een vorm van verlamming.

Heel mediawijs is vriend C., die zijn bestaanszekere baan heeft opgezegd om de site ecoluxe.nl te starten. Prima plan, want dit is bij uitstek het seizoen waarin Culturele Burgers geld willen uitgeven om ecologisch verantwoord te kunnen leven zonder aan comfort in te boeten. Maar C. moet zonodig eerst andere Cultureel Burgerlijke Dromen najagen en kleurboeken ontwerpen. Gelukkig wordt hij onrustig van mijn vermaning haast te maken.

Ecologische Burgers moeten zelf de verantwoordelijkheid nemen voor het milieu, schrijft Stevenson. „Noch de markt noch rijksinstellingen zullen adequaat reageren op de ecologische crisis.” En C. heeft als kleine zelfstandige op internet de wind mee. Razend enthousiast is de raad over digitale distributiekanalen. De ‘long tail’-analyse van econoom Chris Anderson wordt geciteerd, die stelt dat internet kleine oplages commercieel interessant maakt (de lange staart is de uitloper in verkoopgrafieken). Dat is goed nieuws voor artistiek interessant werk dat niet-populair is. Het kán populair worden – als het maar beschikbaar is. Beleidsmakers en culturele ondernemers, stelt de raad, kunnen de vastgeroeste mening dat het grote publiek vooral belangstelling heeft voor het populaire aanbod naast zich neerleggen. De gemiddelde smaak blijkt óf niet te bestaan, óf is lang niet zo gemiddeld als altijd werd gedacht.

Ik weet het niet. S. wil dolgraag dvd’s van de alleen ’s nachts door Net5 en Ketnet uitgezonden advocatenserie The Guardian, maar die komt er maar niet. Al hebben we braaf onze digitale stem uitgebracht op tvshowsondvd.com, een site voor consumentendemocratie, bedoeld om de lange staart van producenten te kietelen. Zonder succes.

Hoe zorg je er dan voor dat je te zien krijgt wat je wilt zien?

Het leven van de Culturele Burger is vol zorgen. Wat gaan we bijvoorbeeld komend weekend weer doen?