Wie niet praten wil moet koken

Met romans over eten slaan moderne Franse schrijfsters een brug tussen smaak en verbeelding. Koken is voor hun personages voer voor de geest en een manier om verdoofd te leven.

Hélèna Villovitch: Petites soupes froides. Ed. De l’Olivier, 134 blz. € 15,–

Agnès Desarthe: Mangez-moi. Ed. De l’Olivier, 308 blz. € 20,–

Viviane Chocas: Bazar magyar. Ed. Héloise d’Ormesson, 118 blz. € 18,35

Wat u eet zegt wie u bent. Bereidt u slowfood? Comfort food? Fusion food dan misschien? Houdt u zich bezig met food design? Wat u eet, vertelt een verhaal. Het zegt of u een gezondheidsfreak, een lekkerbek of gewoon een bewuste eter bent, het verraadt uw voorkeur voor ambachtelijkheid, voor nieuwe trends, voor de eigen moestuin of het gemaksprincipe.

De combinatie van voedsel en literatuur pakt vaak goed uit. Of je nu kijkt naar de seizoensdagboeken van George Sand, de schranspartijen van de gebroeders Goncourt en hun vrienden, of de hippe menu’s in één kleur van de Franse beeldend kunstenares Sophie Calle – ze vloeien voort uit een literaire én uit een culinaire ader, ze verleiden de tong én de verbeelding.

Het lijkt wel of hedendaagse Franse schrijfsters de brug tussen geur, smaak en het imaginaire opnieuw hebben ontdekt. Met drugs schep je krachtige personages, zoals Lydie Salvayre onlangs weer bewees in haar roman Het zwijgen van Savedra; passie voor het schaakspel als voer voor de geest is dat evenzeer, getuige het recente boek van de jonge Duits-Franse debutante Bertine Henrichs; maar wat voedsel literair gezien vermag is kruidiger dan welk geestverruimend middel dan ook.

Petites soupes froides bijvoorbeeld heet de verhalenbundel van beeldend kunstenares Hélèna Villovitch. Het titelverhaal gaat over de coole recepties in kunstenaarskringen waar van die kleine koude soepjes geserveerd worden, in een heel klein glaasje, met een minuscuul lepeltje. De tekst van het verhaal is grafisch precies in de vorm van zo’n kleine gazpacho coupe gegoten. Op iedere pagina lees je door zo’n soepje heen, waarbij Villovitch doordringt tot het hart van dergelijke recepties. De conversatie beperkt zich tot zinnen als ‘ik zal je voorstellen aan dinges, die kent pietje puk en die kan je vast helpen bij je subsidieaanvraag bij de stichting zus-en-me-zo.’ Er wordt gelachen om niets, geroddeld over alles en iedereen, gekletst in de ruimte en het ene misverstand volgt op het andere.

Hotspot

De vertelster, onzeker, alleen en nog zonder contacten die deuren openen, is doodsbenauwd mensen niet te herkennen, niet direct te kunnen plaatsen. En hoe moet ze verbergen dat ze op die hotspot eigenlijk niemand kent? Dan zijn al die gekleurde kleine soepjes die ze één voor één kan proeven een uitkomst. Eenzaamheid en leegte worden gevuld door de troostende handeling van het lepelen. Het geeft haar een houding, het camoufleert haar wanhoop, het verdoezelt het feit dat ze vandaag niet weet of ze morgen nog een baan zal hebben.

De vertelster van Mangez-moi van Agnès Desarthe heeft dat probleem juist achter zich gelaten: ze heeft een restaurant geopend, Chez moi. Een erg toepasselijke naam, omdat ze, bij gebrek aan een woning, na sluitingstijd een douche neemt in de enorme granieten bak waarin ze ook de sla en de peterselie wast en daarna haar slaapzakje uitrolt in de keuken, onder het plankje met haar 33 lievelingsboeken die haar in haar leven tot steun zijn geweest. Alice in Wonderland, Die Leiden des jungen Werthers, The Hobbit – allemaal gidsen in een leven dat ontspoord is, de kluts kwijt, en dat op zoek is naar een kompas.

Met de moed der wanhoop stort de vertelster zich op haar restaurant, misschien een groot woord voor de ruimte die ze inricht. Stoelen komen van de straat, de koelkast koopt ze voor een habbekrats, de bloemenverkoper naast haar zorgt voor dagelijks nieuwe verlepte bloemen en de eerste dagen komt er geen mens. De eerste gast vraagt wat het beste gerecht is dat ze heeft. ‘Ik, eet mij maar op’, denkt ze, maar ze serveert chocoladetaart met peer en peper, ze gelooft nu eenmaal ‘in de mysterieuze macht van de alliteratie’. Twee studentes krijgen avocado-grapefruitsoep; voor het hoofdgerecht, mousse van rumsteck, neemt ze haar keukenmachine mee naar het toilet: zo stoort het lawaai de conversatie van de gasten niet. De gemarineerde rauwe tonijn is een succès fou, maar de kosten staan niet in verhouding tot de inkomsten. Toch is het dessert gratis, kwestie van principe.

Heel langzaam geeft Desarthe de achtergrond van haar vertelster prijs en blijkt waarom ze telkens dreigt te verdwijnen in ‘een golf van verdriet waarin je zou verdrinken als je het niet heel erg druk zou hebben’. Koken, het mensen naar de zin maken geeft richting aan de verwarde, grillige, beschadigde persoon van de vertelster, die onder haar geestige, vrolijke gedrag een enorm gewicht aan schuldgevoelens torst. Hakken, snijden, roeren, het verdooft, maar het ordent de geest eveneens. Wie kookt legt zijn emoties in de gerechten, wie kookt hoeft niets meer te zeggen.

Dat laatste is ook het uitgangspunt van Bazar magyar, de knappe, ongetwijfeld autobiografische debuutroman van de Frans-Hongaarse journaliste Viviane Chocas. Haar vertelster is de dochter van ouders die in 1956 Hongarije ontvluchtten, zich vestigden in Parijs en vanaf dat moment geen woord meer wijdden aan het land waar ze werden geboren. Geen woord Hongaars werd er meer gesproken, zodat hun dochter geen notie had van haar grootouders, van haar afkomst of van haar familiegeschiedenis, laat staan dat haar iets werd verteld over de omstandigheden waaronder haar ouders Hongarije verlieten. In Frankrijk wordt wie dat wil in een handomdraai een echte Fransman.

Hongaars

Slechts heel af en toe maakte haar moeder ‘rakott krumpli’, een Hongaars gerecht van worst, eieren, aardappels en paprika. Dat was alles wat herinnerde aan een beladen en verzwegen verleden. ‘Alleen door de gerechten die soms op tafel kwamen, kon ik dat verboden continent benaderen, waar de twee die me verwekt hadden, vandaan kwamen.’

Die Hongaarse gerechten zijn de enige sporen die Chocas’ vertelster kan volgen bij het speuren naar haar familiegeschiedenis. Eerst de abrikozenbeignets, met rum en suiker, op de begrafenis van een oom van wie ze het bestaan zelfs nooit had vermoed. Ze maken een eind aan de dertig jaar stilte tussen haar vader en diens moeder, die het niet eens was geweest met zijn vertrek. Salami en Tokay begeleiden haar eerste bezoek aan Boedapest, haar eerste woorden Hongaars, een taal die ze in het geheim heeft geleerd. Uiteindelijk verleiden galuska, Hongaarse koekjes, haar moeder iets meer los te laten over haar vlucht uit Hongarije, maar dat is pas vele jaren later.

Heel langzaam legt de vertelster zo de puzzel van haar identiteit, begrijpt ze waarom ze nooit voor Hongaarse werd aangezien maar wel voor ‘sale juive’ werd uitgescholden. Op hoge leeftijd vertelt haar moeder haar eindelijk tot welk oud, joods, vervolgd geslacht ze behoort. Maar dan: ‘Eendelever met champignons? Kip met paprika? Kastanjepuree? Eet, lieve kind, neem nog een beetje’.