Uit het ‘gekkendorp’

Menno Wigman: Het gesticht. Prometheus, 103 blz. € 18,90

De laatste drie maanden van 2005 bracht Menno Wigman door in een leegstaand paviljoen op het terrein van de Willem Arntsz Hoeve in Den Dolder. Hij zocht daar de rust om zijn Gedichtendagbundel voor 2006 te schrijven, maar ook ging hij op zoek naar gedichten van gestichtbewoners, en naar sporen van een beroemde patiënt uit 1933: Gerrit Achterberg.

Vorig jaar al verscheen het Dossier Wigman, een map met twee eenvoudige cahiers. Eén daarvan bevatte een verslag van drie maanden Den Dolder; het andere was een bloemlezing van het poëtische werk van zo’n twintig cliënten. De tekst van het eerste cahier is dit jaar in een nieuwe versie uitgegeven. Het gesticht heet het nu. De tekst laat zich het beste omschrijven als een dagboek dat drie maanden werd bijgehouden. Het gesticht biedt immers veel meer dan een verslag van Wigmans verblijf. Het bevat ook tientallen overpeinzingen over literatuur, drank, drugs en waanzin, over het nachtelijk bedrijf dat dichten heet, en over de magie van woorden zoals ‘Ausschweifungen’ en ‘Volapük’.

De stijl waarin Wigman zijn beleving en observaties noteert is even soepel als direct. Terloops meldt hij veel over zijn kijk op het dichterlijk ambacht. De aanleiding daartoe kan verrassend zijn, zoals een artistieke installatie van Marieke van Diemen – zeven plankjes waarop aardewerk in de vorm van een gedicht staat geschikt. Wigman kan er zijn ogen niet vanaf houden en voelt onmiddellijk de behoefte om de vazen door letters te vervangen. Als hij dat probeert komt er echter niets zinnigs uit. ‘Toch wonderlijk,’ schrijft hij, ‘hoe soms alleen al de vorm van een gedicht je weet te grijpen.’ In die zin is er, concludeert hij dan, geen enkel verschil ‘tussen het schrijven van een gedicht en spelen met lego – zolang de tijd maar wegvalt.’

Dat hij de bewoners van de kliniek zonder pathos beschrijft maakt hun lot des te schrijnender. Wigman spiegelt zijn rondgang over het terrein in Den Dolder aan zijn jeugdjaren in Santpoort, het andere ‘gekkendorp’. Intussen passeert menig literaire gek de revue, maar van Achterberg ontbreekt elk spoor. De patiëntendossiers, voorzover nog aanwezig, bleven voor Wigman gesloten. Hij woonde weliswaar op het kliniekterrein, maar bleef toch een buitenstaander.

Des te scherper is de blik waarmee Wigman zijn tijdelijke omgeving beziet. Die scherpte treft ook de schrijver zelf. Hij verzwijgt niet hoe de eenzaamheid hem bij tijden bespringt en in geschreeuw doet uitbarsten, en als hij aan het fabuleren slaat schrapt hij niet de alinea waarin dat gebeurt, maar bekent hij zijn pseudologie. Ook in zijn proza valt veel dichterlijks te beleven.