Tot de enkels in het slijk der aarde

Ah, geld... Dat mysterieuze ruilmiddel waarvan niemand eigenlijk goed weet wat het waard is, terwijl het tegelijkertijd waard is wat we allemaal vinden dát het waard is. Circulerend papier en metaal. Bits en bytes op de bankrekening of chipknip, waarvan de fysieke waarde in geen enkele verhouding staat tot wat je ervoor kunt kopen. Voor een gecertificeerd stukje papier met ‘50 euro’ erop schaf je kilo’s papier aan, pinnend verstuur je een reeks van virtuele enen en nullen bij de elektronicazaak waarna je zomaar een hele computer mee naar huis mag nemen.

Geld is niet alleen voor de gewone sterveling een ongrijpbaar fenomeen. Ook de hoeders van het geld, de centrale banken, wekken af en toe de indruk het ook niet allemaal te weten. Deze week werd bekend dat de geldhoeveelheid in de eurozone, de zogenoemde M3, in februari met 10 procent is toegenomen. Dat is de sterkste geldgroei in zestien jaar. Sinds jaar en dag neemt de hoeveelheid geld sterker toe dan de omvang van de economie: er circuleert, kortom, steeds meer geld tegenover de goederen en diensten die we elkaar verkopen.

Waar komt al dat geld vandaan? ‘Geldscheppen’ lijkt een werkwoord uit de Donald Duck, maar het is een dagelijkse praktijk. Een munt hoeft, anders dan een eeuw of twee geleden, niet langer de waarde te hebben van de hoeveelheid goud of zilver die erin is verwerkt. Zolang er maar een redelijke reserve is tegenover het geld in omloop, gelooft iedereen het wel. Deze papieren standaard is gebouwd op vertrouwen. Maar dan moet de verhouding tussen geld en reserves niet uit de hand lopen.

Waar blijft al het overtollige geld? Goede vraag, en niemand die het echt weet. Normaal zou, als de hoeveelheid geld in omloop te snel toeneemt, de inflatie moeten oplopen, maar dat gebeurt niet – nog niet. Of de omloopsnelheid van geld zou moeten afnemen, waardoor er meer van nodig is voor eenzelfde geldcirculatie. Maar het afnemen van de omloopsnelheid geldt meestal als een kennelijk resultaat, niet als een beredeneerde verklaring: de geldhoeveelheid groeit te snel, er is geen stijgende inflatie, dus zal het wel in de omloopsnelheid zitten.

Dat laat een handjevol alternatieve verklaringen over. Of er is iets heel erg mis met de statistiek of de definitie van geld. Of de globalisering van met name de financiële wereld maakt het lokaal meten van de geldhoeveelheid onzinnig. Of er is wel degelijk een uit de hand lopende inflatie, maar dan niet bij goederen en diensten, maar bij – financiële – activa. Kijk naar de opgeblazen prijzen van uiteenlopende zaken als metalen, vastgoed, verhandelbare bedrijfskredieten en nog veel meer. En huiver.

Maarten Schinkel