Toen had ik wel zoiets van o...

Het viel al te vrezen, nu zitten ze met z’n allen in dat House of Fame, de zestien jongens en meisjes die in aanmerking willen komen voor vier hoofdrollen in de musical Fame, en nu krijgen we ze weer veel minder aan het werk te zien en meer in dat huis, waarin iemand de hele nacht snurkt, waardoor anderen in de huiskamer moeten gaan liggen enz. Daar kijken we niet voor. Oninteressant huiselijk gedoe kun je op alle zenders dag en nacht zien, wij willen talent aan het werk zien, we willen denken, ja, die Noortje heeft inderdaad een geweldige stem, goh, wat danst die Danny leuk met dat mollige lijf en niet een meisje horen zeggen: „Toen had ik wel zoiets van o...”, al hadden we dat zelf ook nu we dít zagen. Nu ja zagen, je ziet eigenlijk steeds net niks. Dat huis amper, het zingen in miniflarden, acteren niet, het dansen een enkele pirouette en een enkel sprongetje, alleen maar frontale gesprekjes tegenover de camera van vooral de meisjes. Dat moet beter worden wil De weg naar Fame (RTL4) ons de hele weg lang mee krijgen.

En dan de dieren. In VPRO thema zagen we Het dierenduel, vier debatten in een boksring, doorspekt met filmpjes die ook deel uitmaakten van het debat. Maar is een debat wel de beste manier om iets duidelijk te maken? Zeker als het debat in een boksring gevoerd moet worden, met, zelfs de VPRO kan het niet laten, publieksstemmen die zeggen wie gewonnen heeft terwijl er geen sprake kon zijn van winnen of verliezen want de debattanten kregen geregeld geen kans om uit te spreken, ze moesten alles heel snel doen zodat nuanceringen moeilijk aangebracht konden worden en consequenties van ingenomen standpunten niet belicht konden worden. De tegenstanders waren vaak van volkomen ongelijksoortig gewicht: de intelligente, goed formulerende vegetariër Wiebeke Helder had oneindig veel sterkere argumenten dan de bourgondische keurslager Runderkamp die alleen maar, met sympathieke overtuiging dat zeker, wist te zeggen dat vlees zo lekker was en dat bij het goede leven ook vlees hoorde. Toch koos het publiek voor de slager, niet omdat hij beter was, want dat was hij niet, maar omdat men vlees wil blijven eten. Daarom was het dus ook jammer om alles zo in opposities te doen, want het is beter om de vleeseters ervan te overtuigen dat ze minder vlees moeten eten, van niet bio-industrieel opgefokte dieren, dan ze voor te houden dat ze moeten kiezen tussen vegetariër worden óf elke dag bourgondisch biefstuk eten. Dan kiezen ze voor onbekommerd vlees en blijven de kiloknaller bezoeken.

Een van de varkensboeren die aan het woord kwam, zei dat hij ‘morgen’ van bedrijfsvoering zou veranderen als de klant bereid zou zijn wat meer voor het vlees te betalen, maar met de huidige vleesprijzen kwam hij niet uit. Dat is natuurlijk ook zo, de kleinschalige regionale productie waar de vertegenwoordigster van de Partij voor de Dieren voor pleitte is leuk maar vaak duur en (dus) voor een beperkt publiek. Je zou wel eens onderzocht willen zien voor hoeveel van zulke kleinschalige productiebedrijven met korte verkooplijnen er eigenlijk ruimte is in Nederland. Maar aan zulke vragen kwam dit programma in het geheel niet toe. Er werd erg veel geschreeuwd, vooral ook door de vermoeiende scheidsrechter Karen van Holst Pellekaan die er voortdurend oververhit en verzenuwd uitzag, dit in tegenstelling tot de kalme vleeseter Waldemar Torenstra die samen met haar het programma presenteerde. Maar ja, die ‘won’ ook de hele tijd. Terwijl er niets te winnen valt. Verstandige verandering, dat is wat nodig is.

Reageer op deze column via www.nrc.nl/ogen